<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>vanwoodman &#187; Lezingen</title>
	<atom:link href="http://www.vanwoodman.com/www/category/lezingen/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.vanwoodman.com/www</link>
	<description>Just another WordPress weblog</description>
	<lastBuildDate>Mon, 06 Dec 2010 09:50:27 +0000</lastBuildDate>
	<generator>http://wordpress.org/?v=2.8.5</generator>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
			<item>
		<title>Bestel het boekje KUNST mest voor organisaties</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2008/12/03/bestel-het-boekje-kunst-mest-voor-organisaties/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2008/12/03/bestel-het-boekje-kunst-mest-voor-organisaties/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 03 Dec 2008 22:12:59 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Blogroll]]></category>
		<category><![CDATA[Kennis & Kunst]]></category>
		<category><![CDATA[Lezingen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2008/12/03/bestel-het-boekje-kunst-mest-voor-organisaties/</guid>
		<description><![CDATA[Vanwoodman produceerde speciaal ter gelegenheid van vijf jaar Kennis &#38; Kunst het prachtige boekje KUNST mest voor organisaties
Het door Ton Bruining ingeleide boekje bevat ondermeer de vijf lezingen van Kennis &#38; Kunst. De complete inhoud:

- De ambivalentie van het kwaadaardige &#8211; Joep Schrijvers
- Omgaan met vergankelijkheid &#8211; Frits Schipper
- Vergankelijkheid en de nieuwe mens &#8211; Koen Tachelet
- [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Vanwoodman produceerde speciaal ter gelegenheid van vijf jaar Kennis &amp; Kunst het prachtige boekje <strong>KUNST <em>mest</em> voor organisaties</strong></p>
<p>Het door Ton Bruining ingeleide boekje bevat ondermeer de vijf lezingen van Kennis &amp; Kunst. De complete inhoud:</p>
<p><span id="more-182"></span></p>
<p>- De ambivalentie van het kwaadaardige &#8211; Joep Schrijvers</p>
<p>- Omgaan met vergankelijkheid &#8211; Frits Schipper</p>
<p>- Vergankelijkheid en de nieuwe mens &#8211; Koen Tachelet</p>
<p>- Kijken naar goudvissen &#8211; René ten Bos</p>
<p>- Gevangen door verhalen &#8211; Kiki Verbeek</p>
<p>- Immorele kunst als het geweten van onze cultuur &#8211; Rob van Gerwen</p>
<p>- Uit de kunst &#8211; Joseph Kessels</p>
<p>- Schilderijententoonstelling &#8211; Chris Kuiper</p>
<p>- Briefwisseling &#8211; Ton Bruining en Marion Hoeffgen</p>
<p><strong><strong>De bundel &#8220;Kunst | mest voor organisaties&#8221; kan worden besteld door 22,50 euro (inclusief verzendkosten) over te maken op rekeningnummer 3720613, t.n.v. A.W.M. <span>Bruining</span>, Eindhoven, onder vermelding van de titel.</strong></strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2008/12/03/bestel-het-boekje-kunst-mest-voor-organisaties/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Rijnlanders, durft te denken! &#8211; Piet Moerman</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2007/10/13/rijnlanders-durft-te-denken-piet-moerman/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2007/10/13/rijnlanders-durft-te-denken-piet-moerman/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 13 Oct 2007 19:56:13 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Lezingen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2007/10/14/rijnlanders-durft-te-denken-piet-moerman/</guid>
		<description><![CDATA[Europa – en dus ook Nederland – gaan gebukt onder een zelf aangepraat minderwaardigheidscomplex. Wij hebben ons laten vangen in het net van een ‘Leitkultur’. Dat is niets nieuws in de geschiedenis.

Rond het begin van de jaartelling werd de Romeinse cultuur leidend over zowel de ontwikkelde Grieken als over de relatieve barbaren (Kelten en Germanen). [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>Europa – en dus ook Nederland – gaan gebukt onder een zelf aangepraat minderwaardigheidscomplex. Wij hebben ons laten vangen in het net van een ‘Leitkultur’. Dat is niets nieuws in de geschiedenis.</strong></p>
<p><span id="more-59"></span></p>
<p>Rond het begin van de jaartelling werd de Romeinse cultuur leidend over zowel de ontwikkelde Grieken als over de relatieve barbaren (Kelten en Germanen). Hoe kwam dit? Omdat de Romeinen een daadkracht vertoonden die in die tijd ongeëvenaard was. Alles moest daar voor wijken, ook de eigen cultuur! Nu in de 20e c.q. 21e eeuw zien wij dat continentaal Europa &#8211; hetzij sluipend, hetzij evident &#8211; de huidige Angelsaksische ‘Leitkultur’ heeft omarmd. Niet omdat wij veroverd zijn, maar door de sexy en daadkrachtige uitstraling, plus de gebruikte lingua franca. Het continent heeft zich geconformeerd tot een kloon van de Angelsaksische wereldgemeenschap en dat zullen we weten ook!<br />
In de wetenschappelijke en maatschappelijke wereld doen Talpa-achtige hitlijsten hun intrede en worden gezwollen tirades gehouden over het excellent zijn in deze uitdagende wereld vol mondialisering. Alles moet triple-A rating zijn, terwijl dat per definitie onmogelijk is. Vaak wordt met het badwater het kind weggegooid, omdat er geen tijd wordt gelaten voor reflectie. Reflectie is ouderwets en verlangzamend, zo zeggen onze politieke, culturele en zakelijke elites. En daar missen we de tijd voor! Om dan toch de zaak in het gareel te houden, bureaucratiseren wij er lustig op los. Het oude continentale trio (meester, gezel en leerling) is verdwenen en de mysterieuze manager heeft zijn intrede gedaan. De meest baarlijke nonsens, quasi religieus verpakt, wordt als wetenschappelijke theorieën over ons uitgestort. Het betreft hier vooral literatuur over management -, gedrags- en maatschappijwetenschappen. Deze is zeer prescriptief van aard en kent weinig twijfel. Dit staat in contrast met de Rijnlandtraditie waarin twijfel, verwondering, bedachtzaamheid en wijsheid de boventoon voeren in het wetenschappelijke discours. Wat te doen om deze culturele impasse te doorbreken?</p>
<p>Het is goed te weten dat moderniteit – als kind van de Verlichting – in het Wenen van na de 1e Wereldoorlog een grote impuls kreeg. De bekende ‘Wiener Kreis’ omvatte vele intellectuelen, geleerden en kunstenaars die later de wereld wezenlijk zouden beïnvloeden. Volgens Gero van Randow waarde in Wenen ‘Herr Warum’ rond. Deze heer kan men gevoeglijk het geesteskind van Immanuel Kant noemen.</p>
<p>Laat ik daarom maar beginnen met deze grote verlichtingsfilosoof. In zijn ogen is de Verlichting een uittocht van de mens uit zijn aan zichzelf te wijten onmondigheid. Deze is het onvermogen om zichzelf – zonder de leiding van iemand anders – van zijn eigen verstand te bedienen. Tegenover de heteronomie van buitenaf staat de autonomie van het zelfdenkende verstand. De Verlichting impliceert inherent, zelfstandig denken (sapere aude). Kant voegt er in een van zijn werken aan toe: geloven kan denken uitsluiten en denken geloven. Domheid is geen gebrek aan verstand, maar vooral een gebrek aan oordeelvermogen. Men komt het vooral tegen als mensen hun eigen ideeën voor werkelijkheid houden. (Berlinische Monatschrift 9/1784; Kritik der reinen Urteilskraft). Een belangrijke les voor ons Europeanen c.q. Rijnlanders is dus dat, evenmin als er een koninklijke weg naar de mathematische bewijsvoering is(oude parabel), er een marktconforme weg naar de moderne wetenschap is.<br />
Wilhelm Röpke, ordo-liberaal econoom, sprak over universiteiten als colchozen van de wetenschap, die door massaliteit worden gevormd. De stap naar een quasi religieuze gemeenschap als bij voorbeeld de Chicago School for Economics is dan niet meer ver. Martinus Veldman – Nobelprijswinnaar Fysica 1999 – zegt in het Filosofie Magazine 3/2006: ‘Wat doen mensen bij gebrek aan bewijs? Zij benoemen een hogepriester en verklaren die voor onfeilbaar. Hij zegt wat waar is en niet waar.’ Hier zijn we weer terug bij Kant. Als vervolg op de Verlichting, zoals gezien door Kant, past het artikel van Heinrich August Winkler van 14.02.07 in ‘Die Zeit’ : Was heisst westliche Wertegemeinschaft?<br />
West-Europa maakt deel uit van de totale westerse waardengemeenschap. Daarover zegt Winkler :<br />
- Es gibt keine europäische, sondern nur westliche Werte.<br />
- Die Verwestlichung des Westens war ein langwieriger Prozess.<br />
- Die politische Kultur des Westens ist pluralistisch und muss deshalb eine Streitkultur sein.</p>
<p>Conclusie die uit het voorgaande kan worden getrokken, is:<br />
Europa heeft een ist-cultuur, dwz. een cultuur, zoals die door Machiavelli is vertolkt in zijn boek ‘De Vorst ‘ : ‘Maar aangezien het mijn bedoeling is iets te schrijven dat nuttig is voor wie het begrijpt, vind ik het beter mij te houden aan de feitelijke werkelijkheid van de dingen dan aan de gefingeerde voorstelling ervan.’</p>
<p>Momenteel zit deze ist-cultuur gevangen tussen de soll-cultuur van de Anglo-Amerikanen en de soll-cultuur van de Islam. In termen van A.Rapoport met zijn boek ‘Fights, games and debates’ (University of Michigan Press, 1961) geeft dat de volgende afbakening:</p>
<p>- Europeanen zijn debaters; zij proberen te overtuigen met het in waarde laten van de opponent.<br />
- Anglo-Amerikanen zijn gamers die &#8211; weliswaar met dezelfde Westerse spelregels – de andere partij onderliggend proberen te maken.<br />
- Islamieten zijn fighters, met duidelijk andere spelregels (zij kennen geen Trias Politica) die met onze cultuur weigeren echt te debatteren. Elke basis ontbreekt, omdat onze westerse postulaten en paradigma’s tegenover Islamitische dogma’s staan.</p>
<p>Europeanen moeten daarom – om de ist-wereld tegemoet te kunnen treden – een goed gevoel voor zwakke signalen ontwikkelen. Overeenkomstig Carl von Klausewitz, in zijn boek ‘ Vom Kriege’, heeft iedere tijd zijn eigen oorlogen (eigen realiteit dus). De theorie moet zich daarom ontdoen van ieder schematisme, om steeds de theorie van de werkelijke strijd te zijn. Het weten moet kunnen worden. Het genie, de hoogste vertegenwoordiger van de praktijk, weet van het toeval gebruik te maken. Geniaal is daarom niet wie de theorie het best toepast, maar wie praktisch de theorie schept; dus wie de grootste kunstenaar is !<br />
Indicaties, hoe onze Rijnlandse continentale cultuur eruit zou kunnen zien, ontleen ik aan de volgende auteurs: Max Weber, Ralf Dahrendorf, Wilhelm Röpke, Gräfin Marion Dönhoff. Op de achtergrond spelen diverse denkers een rol die ik tevens de revue zal laten passeren.<br />
Ralf Dahrendorf twijfelde van het ene op het andere moment aan de haalbaarheid van het niet-utopische project van de moderne vooruitgang. Het Westen is te zeer in middelen gaan denken en heeft de doelen verwaarloosd. De radicalisering van het liberaliseringsproces blijkt op grenzen te stuiten. De zgn. open samenleving heeft haar natuurlijke limieten overschreden, waardoor haar voortbestaan wordt bedreigd. De nu overheersende en verzelfstandigde instrumentele rationaliteit moet weer ondergeschikt worden gemaakt aan een herstelde doel- en waardenrationaliteit. In feite trekt Dahrendorf twee grenzen:</p>
<p>- Ongelijkheid is met vrijheid onverenigbaar als zij de kansen  van mensen op deelname aan de politieke gemeenschap, aan de markt of aan de burgerlijke samenleving beperkt.<br />
- Als rijkdom tot ongecontroleerde macht wordt, moet iets worden ondernomen om deze ontwikkeling te stoppen.</p>
<p>Ergo: sociale uitsluiting en gepersonaliseerde macht op grond van rijkdom zijn onacceptabel. Als wij echter vrijheid willen hebben, dan zijn bepaalde sociale en economische ongelijkheden een legitieme noodzakelijke prijs die de maatschappij daarvoor moet betalen. (Ontleend aan Cicero-Magazine für politische Kultur, mrt. 2006)<br />
Dahrendorf maakt onderscheid tussen het Rijnlandse, Angelsaksische en Aziatische model in onderstaand schema:</p>
<p><strong>Rijnlands model:</strong> Economische dynamiek (-),  Maatschappelijke cohesie (+), Politieke democratie (+)<br />
<strong>Angelsaksisch model:</strong> Economisch dynamiek (+), Maatschappelijke cohesie (-), Politieke democratie (+)<br />
<strong>Aziatisch model:</strong> Economische dynamiek(+), Maatschappelijke cohesie (+), Politieke democratie (-)</p>
<p><strong>Dahrendorf</strong> ziet twee helden van de moderniteit: de burger als bourgeois en de burger als citoyen.<br />
De eerste is de voortrekker van de economische groei. De tweede is de held van de vergroting van de staatsburgerlijke gelijkheidsrechten (participatie). Zij representeren het dubbele gezicht van de moderniteit.<br />
<strong>Max Weber</strong> stelt: de moderne vooruitgang wordt gevormd door doelgerichte bureaucratische processen die vrijheid en creativiteit inperken. Sociale voorzieningen zorgen voor meer bestaanszekerheid maar tevens afhankelijkheid en nieuwe autoriteit. De moderne bureaucratie schept zijn eigen horigheid. Zij is een staalhard ‘Gehäuse der Hörigkeit’. De doelrationaliteit verschrompelt door teloorgang van de waardenrationaliteit tot een soort instrumentele rede. De onttovering is begonnen!</p>
<p>Het bureaucratisch kapitalisme zal bij toenemende hardheid steeds meer zwakke karakters scheppen. Hoe stringenter de bureaucratie, des te corrupter, opportunistischer en softer worden de verantwoordelijken. De bureaucratisch-kapitalistische ordening voert naar onmachtige, subjectivistische culturen die zich tevergeefs proberen te verzetten. Uiteindelijk vormen zij een surrogaat voor authentieke religieuze praktijken.</p>
<p>Ergo: de rationaliteit en soberheid die ten grondslag lagen aan het vroege kapitalisme zijn ontaard in een onttovering van de wereld, met andere woorden: alles is beheersbaar en berekenbaar. De waarden-rationaliteit gaat over boord en de doelrationaliteit wordt het Leitmotiv (ontleend aan ‘Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus’ &#8211; Beltz, 2. Auglage, 1996). Wilhelm Röpke verkondigt een Derde Weg tussen het marktfundamentalisme enerzijds en de overheid c.q. staatsbemoeienis anderzijds. Dit vraagt een omslag van ons denken, waarin hebzucht, primaat van de marktwerking, geld en juridisch procederen steeds belangrijker worden. Voor het voltooien van een echte derde weg is de beantwoording van vier vragen noodzakelijk:</p>
<p>- <strong>De ordeningsvraag</strong>. Een goed functionerend systeem van belonen en regelen is noodzakelijk. Hietoe behoort een gezond geldsysteem, een doordacht rechtssysteem en een behoorlijk aantal maatregelen en voorzieningen om de onvolkomenheid van het marktsysteem te compenseren.</p>
<p>- <strong>De sociale vraag</strong>. Algemene regels ter compensatie van de fouten van de marktwerking zijn onvoldoende. Speciaal de zorg voor de bestaanszekerheid van de echt zwakken verdient aandacht. De spanning tussen marktordening en sociale politiek mag niet leiden tot verstarring.</p>
<p>- <strong>De politieke vraag</strong>. Het probleem moet hier worden opgelost, opdat marktordening zodanig functioneert dat er geen politieke en/of economische machtsposities kunnen ontstaan.</p>
<p>- <strong>De morele vraag</strong>. Het is natuurlijk belangrijk dat er een geordend en juist economisch systeem aanwezig is. Het is minstens zo belangrijk, zich af te vragen of de mensen moreel en geestelijk in goede staat verkeren.</p>
<p>De Derde Weg betekent het bewoonbaar maken van de industriesteden, het centraal stellen van vakmanschap, overdracht van kennis en kunde, op welke plaats dan ook, en niet als laatste een zekere verankering met de omgeving waar wordt gewerkt.<br />
Ergo: wij moeten ons in Europa verzetten tegen een maatschappij die wordt beheerst door de roes van de grote getallen, de kult van het kolossale, centralisering, over-organisatie, standaardisering en het pseudo-ideaal van nog groter en beter. We zullen terug moeten naar de menselijke maat, het spontane, het natuurlijke en de verscheidenheid (Die Lehre von der Wirtschaft, Eugen Rentsch Verlag, 1951).</p>
<p><strong>Gräfin Marian Dönhof</strong> slaakt de hartekreet ‘Zivilisiert den Kapitalismus’. Dit is bedoeld om het kapitalisme een menselijk gezicht te geven. De totale secularisering die de mens van zijn metafysische bronnen afsnijdt en hem tot de belangen van de wereld beperkt, zoals: ontdekking, uitvinding, prestatie, productie en consumptie, kan op de lange duur de mens niet bevredigen.<br />
Waar is het nieuwe kompas? Niet van bovenaf met verordeningen, maar vanuit de mens zelf, te beginnen in zijn eigen kring. (Ontleend aan ‘Zeitpunkte’ 95/1 – Was heisst heute liberal?)<br />
Er zijn in het bovenstaande stuk – vanuit mijn optiek – belangrijke denkers de revue gepasseerd die zeer zinvolle ideeën hadden over de opbouw van de Europese maatschappij. Hierna wil ik nog enkele personen noemen die in dit kader ook een belangrijke rol hebben gespeeld.</p>
<p><strong>Karl Popper</strong>. Na het ineenstorten van De Muur deed hij de aanbeveling de vrije markteconomie zonder restrictie door te voeren (dit is gebaseerd op zijn bekende boek ‘Die offene Gesellschaft und ihre Feinde’ &#8211; Tübingen 1957/1958) . Hij week hiermee af van Friedrich von Hayek, die wel van mening was dat een vast geloof in de vrije markt belangrijk is, maar dat deze tevens een ordening behoeft.<br />
De wereld is niet maakbaar (Pamflet ‘De dodelijke aanmatiging’). De ere-redacteur van ‘Die Zeit’, Helmut Schmidt, is zeer kritisch over de huidige maatschappij. Hij vat dat samen in de volgende zin: ‘In delen van onze samenleving vallen de morele remmen weg. Het slechte geweten wordt gesusd door de zelfgenoegzaamheid over het eigen resultaat (‘Auf der Suche nach einer öffentlichen Moral’ &#8211; Deutsche Verlagsanstalt, Stuttgart 1999).</p>
<p><strong>Russel Ackoff</strong> is het niet eens met de opvattingen van Popper. Hij vindt deze monomaan. Zijn standpunt is : ‘The problems we select for solution and the way we formulate them depend more on our philosophy and world-view than on our science and technology.‘(Re-designing the future – Wiley, 1974).</p>
<p>Een goede aanvulling op de ideeën van Ackoff geeft <strong>Igor Ansoff</strong>, die al eerder aan de orde kwam met zijn ideeën van ‘de zwakke signalen’ (hierboven besproken). Hij vindt dat een systeem (hetzij een land, onderneming of andere organisatie) continu moet bezig zijn met het waarnemen van zijn omgeving. Dat is voor Europa op dit moment, als een mega-systeem, ook belangrijk. En zijn receptuur is nog steeds van toepassing. Deze kan worden weergegeven in de volgende trefwoorden:</p>
<p><em>Self-awareness, Environmental awareness<br />
Internal flexibility, External flexibility<br />
Internal readiness, External action</em></p>
<p><strong>Samuel Huntington</strong> was al begin jaren ’90 uitermate kritisch over de ontwikkelingen in de westerse samenleving. Eén zin is kenmerkend voor hem: ‘De essentie van de westerse beschaving is de Magna Carta , niet de Magna Mac. Het beeld van een opkomende universele westerse wereld is misleidend, arrogant, fout en gevaarlijk (The West and the World, Foreign Affairs, nov./dec. 1996).</p>
<p>Ongeveer in dezelfde tijd schrijven <strong>H. Martin en H. Schumann</strong> een zeer kritische beschouwing over het hype-begrip globalisering. Zij komen tot de conclusie : ‘Het niet te stuiten turbokapitalisme is bezig de grondslagen van zijn eigen bestaan te vernietigen. Het ondermijnt immers de handelingsbekwame staat en de democratische stabiliteit. De sociale substantie die voor integratie behoort te zorgen, wordt in hoog tempo verteerd.’ (Die Globalisierungsfalle – Der Angriff auf Demokratie und Wohlstand, Rowolt, 1995).</p>
<p>Tot slot de econoom <strong>R. Kuttner</strong> die stelt dat teveel Adam Smith efficiency de marges in bedrijven verkleint. Graaiende aandeelhouders proberen daarvan gebruik te maken, zodat er weinig overblijft voor een collectieve investering in technologische vooruitgang (Everything for sale – Knopf, 1996).</p>
<p><strong>Conclusies<br />
</strong>Deze wil ik toespitsen op vier thema’s, te weten: wetenschap, marktwerking en globalisering, maatschappij, onderneming.</p>
<p><strong>1. Wetenschap</strong>. Hier moeten de elites een scherpe draai maken. Immers, wetenschap heeft waarheidsvinding als doel. Deze zoektocht is moeizaam en eist reflectie. In de Anglo-Amerikaanse gaming-mentaliteit wordt dit niet geaccepteerd. Ergo: men denkt de waarheid te kunnen kopen (voor geld is alles te koop!); tevens zoekt men hogepriesters die op dit proces als ‘peers’ toezien en die daarnaast zorgen voor ranglijsten, prioriteiten en leerstelligheid. Want er moet koste wat kost gewonnen worden. Op deze wijze schuift wetenschap geruisloos op naar religie. Axioma’s worden ingeruild voor dogma‘s. Samuel Brittan, economie-commentator in The Financial Times, zei op 15.08.2002 : ‘How economics came to rival religious faith’. Mijns inziens zal de wetenschappelijke elite zich in Europa met de haren uit het moeras moeten trekken.<strong> </strong></p>
<p><strong>2. Marktwerking en globalisering</strong>. Er zijn momenteel nauwelijks begrippen met meer hype-inhoud dan deze twee woorden. De begrippen worden als iets nieuws gebracht, maar er is niets nieuws onder de zon.De Romeinen dreven al handel met de Chinezen, met het Midden-Oosten als draaischijf. Marktwerking &#8211; vaak verbonden met zogenaamde privatisering – is niets meer dan simpele transactievrijheid. Als wij in Europa die vrijheid loslaten op algemene nutsbedrijven, vliegen de bureaucratie en ontoegankelijkheid de pan uit. De Europese elites zien nog steeds niet in dat ongebreidelde marktwerking dehumanisering van de maatschappij tot gevolg heeft. Ook voor universiteiten en HBO’s is marktwerking catastrofaal, omdat wetenschap daarmee niets te maken heeft. Als we de marketing-trucjes daarop gaan toepassen, ontstaat er een soort showbusiness, met dito reclameslagzinnen en ranking, te vergelijken met een songfestival. Europa mag zich daarvoor niet lenen. Kant zou verbijsterd zijn. Hij stelt immers dat Europa zijn eigen verstand moet gebruiken.</p>
<p><strong>3. Maatschappij</strong>. Deze heeft haar klassieke verankering verloren. De mens moet ‘on the road’zijn. Iedereen in het maatschappelijke proces heeft meerdere parallel-agenda’s, waardoor communicatie hectisch wordt, met uiteindelijk burn-out als laatste stadium. Rond deze vrij-zwevende individuen (uitspraak van Wilhelm Röpke) bewegen zich wolken van therapeuten, middelaars en ondersteuners, die de vormloze entiteit, die maatschappij heet, in het gareel proberen te krijgen. Zo te zien, zonder echt effect. Het post-modernisme van heden uit zich in de dans rond het gouden kalf (winst-verdriedubbelaar van Dexia) en de ‘anything goes’ &#8211; mentaliteit. We hebben als samenleving verleerd om met verrassingen om te gaan. De mensen hebben een groot gebrek aan weerbaarheid. Socialisten proberen dat, zoals Röpke zei, te compenseren met ‘Komfortabele Stallfütterung’. Ook dat biedt geen consistente oplossing.</p>
<p><strong>4. De onderneming</strong>. In principe is deze aan dezelfde kracht onderhevig als de maatschappij waarin zij is ingebed. In de oude Europese traditie was een onderneming een doelgericht open systeem, waarin mensen de belangrijkste elementen zijn. In dat systeem bestonden ketens waarlangs kennis, kunde c.q. vakmanschap en creativiteit geschakeld werden. Het bekende trio meester, gezel en leerling was in velerlei vormen &#8211; zowel op de fabrieks- als kantoorvloer – zichtbaar. Dit alles is verdwenen. De onderneming onderwerpt zich aan de zogenaamde tucht van de markt en wordt gereduceerd tot een pakketje aandelen waarmee naar hartenlust kan worden gepokerd. Wij staan erbij en kijken ernaar !</p>
<p><strong>Eindconclusie</strong><br />
Zolang Europa ambivalente elites heeft die Angelsaksisch doen en Rijnlands praten, is er geen oplossing mogelijk. Wij zijn namelijk zelf een onderdeel van het probleem. En toegegeven: zolang men jong, gezond en goed-opgeleid is, is er geen vuiltje aan de lucht.<br />
Zeker geldt dat voor een groot deel van de elites. Die hebben zelfverwerkelijking tot aan het exces verdedigd, deugd, fatsoen, stijl belachelijk gemaakt en het post-modernisme zover doorgedreven, dat men uitkwam op ‘anything goes’. De rituele dans om het gouden kalf kon beginnen. De Japanse analist Takeshita beschrijft kernachtig in Het Financieele Dagblad van 10.10.2000 de beurzen van Londen en Wallstreet. Hij noemt die: ‘Een plastic wereld met zieke mensen, maar er wordt naar geluisterd, want het gaat over geld’.</p>
<p>Ziehier de problemen voor Europa en voor hen die het Rijnlandse gedachtengoed een goed hart toedragen. De oplossing ervan zal een totale ommezwaai van onze mentaliteit vereisen. Dat kan gebeuren via de weg van de geleidelijkheid, of door een catharsis die de maatschappelijke elites in een bepaalde richting zal dwingen.</p>
<p>____</p>
<p><strong>Algemene bronnen</strong><br />
Huub Broekhuijse :<br />
Ralf Dahrendorf over neoliberalisme, sociaalliberalisme en Sociaaldemocratie (Damon, 2007)<br />
P.A. Moerman :<br />
- Industriebeleid in relatie tot het poldermodel (Afscheidsrede 1999)<br />
- De worsteling tussen moderniteit en vitaliteit<br />
  (Artikel in Civis Mundi Jaarboek 2003)<br />
- Angelsaksen versus Rijnlanders (Garant, 2005) als co-auteur</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2007/10/13/rijnlanders-durft-te-denken-piet-moerman/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Gevangen door verhalen &#8211; Kiki Verbeek</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2006/10/14/2006-gevangen-door-verhalen-kiki-verbeek/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2006/10/14/2006-gevangen-door-verhalen-kiki-verbeek/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 14 Oct 2006 19:59:38 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Lezingen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2007/03/27/2006-gevangen-door-verhalen-kiki-verbeek/</guid>
		<description><![CDATA[Inleiding
Vanwoodman’s Kennis &#038; Kunst staat vandaag in het teken van narrativiteit: een dag met als titel ‘Gevangen door verhalen’. Gevangen zijn door verhalen: is dat positief? Worden we opgevangen door verhalen? Zijn we er zacht in neergekomen? Zijn we gevangen in de zin van zo onder de indruk dat we niets anders meer willen dan [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><strong><font size="3"><font face="Times New Roman">Inleiding<br />
</font></font></strong><font face="Times New Roman" size="3">Vanwoodman’s Kennis &#038; Kunst staat vandaag in het teken van narrativiteit: een dag met als titel ‘Gevangen door verhalen’. Gevangen zijn door verhalen: is dat positief? Worden we opgevangen door verhalen? Zijn we er zacht in neergekomen? Zijn we gevangen in de zin van zo onder de indruk dat we niets anders meer willen dan verhalen? Of is het tegendeel het geval? Zijn we in de macht van verhalen, en daarom gevangen? Hebben verhalen ons van onze vrijheid beroofd? Zijn we beetgenomen, vastgegrepen? Worden we aan alle kanten omsloten? </font></font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><span id="more-33"></span><img title="More..." height="10" alt="More..." src="http://www.vanwoodman.com/www/wp-includes/js/tinymce/themes/advanced/images/spacer.gif" width="792" name="mce_plugin_wordpress_more" /></font></font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3">In verhalen drukken mensen hun kennis, ervaring en ideeën uit. Je kunt mensen leren kennen door te luisteren naar de verhalen die ze vertellen. Als je kijkt naar de inhoud van een verhaal kun je thema’s ontdekken die de verteller bezighouden. Minstens zo belangrijk is de vorm waarin iemand een verhaal vertelt. Taal is een machtig instrument. Woordkeus, volgorde, opbouw: het kan vanalles vertellen over de spreker. Door zijn taalgebruik kan een spreker tegenover een goede luisteraar meer van zichzelf onthullen dan hem lief is. Uit taal kan bijvoorbeeld onzekerheid spreken, onervarenheid of zelfoverschatting. Andersom kan ook: een goede spreker kan met zijn taal de luisteraar manipuleren door bepaalde beelden, betekenissen en verbanden op te roepen en zo op geraffineerde wijze invloed uitoefenen. Een spreker kan bijvoorbeeld onterecht een deskundige indruk maken slechts doordat hij het vermogen bezit met zijn taal deze indruk bij de luisteraar op te roepen.</font></font></font></font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3">Het woord heeft de macht en de verhalenvertellers ook. De meeste mensen hebben behoefte aan de ordening en structuur die een verhaal kan bieden. Aan de hand van verhalen kun je je identiteit opbouwen. Maar het kan lastig zijn je eigen formuleringen te vinden en het is makkelijk elkaar na te praten. Je kunt er volgens mij dan ook niet op rekenen dat mensen zonder meer hun eigen verhaal vertellen als je ze vraagt dat te doen. Dat is wel een probleem, want wat betekent dat voor hoe we naar elkaar kunnen luisteren? Wat is de waarde van mijn verhaal als ik beïnvloedbaar ben? Of als ik graag een bepaalde indruk van mezelf bij u achterlaat en over het vermogen beschik dat op een onopvallende manier te doen? Welke betekenis kunt u hechten aan mijn verhaal als ik geïndoctrineerd ben? Taal kan dus niet alleen de luisteraar in zijn macht hebben, maar ook de spreker.</font></font></font></font></font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><strong><font size="3"><font face="Times New Roman">Kunst<br />
</font></font></strong><font face="Times New Roman" size="3">In 1967 schreef de Oostenrijkse schrijver Peter Handke het toneelstuk ‘Kaspar’. Handke verwijst met dit stuk naar de historische figuur Kaspar Hauser, de jongen die op zestienjarige leeftijd opdook uit eenzame gevangenschap en toen moest leren lopen, praten, lezen en schrijven. Handke heeft de figuur Kaspar in dit stuk geïsoleerd van de rest van zijn geschiedenis en zich uitsluitend geconcentreerd op zijn taalontwikkeling. Dat heeft een fascinerende theatertekst opgeleverd. In een artikel over ‘Kaspar’ heb ik eens gelezen dat het stuk gaat over hoe de macht van het benoemen gemakkelijk tot onrechtmatige toe-eigening leidt. De macht van het benoemen leidt gemakkelijk tot onrechtmatige toe-eigening: bij deze opvatting wil ik graag even stilstaan. </font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3">De macht van de taal heeft te maken met een van de functies van taal die benoemen heet. Veel mensen kennen het gevoel van opluchting als je iets wat je al een tijd bezighoudt, hebt uitgesproken of opgeschreven. De opluchting die je op zo’n moment voelt, heeft te maken met het opgeruimde karakter van een benoeming: als je eenmaal hebt bepaald hoe iets in elkaar zit en er woorden aan hebt gegeven, kun je het loslaten. Door het vinden van woorden voor jouw werkelijkheid, creëer je een soort waarheid. Dat deze talige waarheid net zo willekeurig of net zo feilbaar kan zijn als de diffuse gedachte die je had vóórdat je er woorden aan gaf, wordt meestal gemakshalve terzijde geschoven. Een gedachte of gevoel wordt in de ogen van de wereld geboren op het moment dat er woorden aan worden gegeven. </font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3">Een ander aspect aan de stelling dat de macht van het benoemen gemakkelijk tot onrechtmatige toe-eigening leidt, is die onrechtmatige toe-eigening. Mensen die op het juiste moment de juiste woorden kunnen vinden, hebben de touwtjes in handen. Door een uitspraak over iets te doen of een oordeel over iets te geven, trek je datgene naar je toe en neem je het als het ware in je bezit. Dat dit bezit onrechtmatig kan zijn, is denkbaar: goed formuleren is namelijk niet hetzelfde als weten hoe iets zit, of zorgvuldig hebben onderzocht waar iets uit bestaat. Zo vorm je de werkelijkheid door middel van een goede formulering van die werkelijkheid. George Orwell voert dit concept ver door in zijn roman ‘1984’, waarin hij de fictieve taal ‘Newspeak’ introduceert. Newspeak is in dit boek de officiële taal van de inwoners van Oceanië en staat volledig in dienst van de ideologie van de communistische totalitaire staat. De taal is nauw verwant aan het Engels, maar heeft een sterk gereduceerde woordenschat en een versimpelde grammatica. Het totalitaire regime van Oceanië zorgt ervoor dat ontwrichtend gedachtegoed geen kans maakt door in Newspeak de taal waarin dit kan worden uitgedrukt onmogelijk te maken. Risicovolle woorden zoals ‘revolutie’ of ‘vrijheid’ bestaan gewoon niet en daarmee zijn ook de concepten verdwenen. Zo simpel is het: dat waar geen woord voor is, is er niet.</font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font size="3"><font face="Times New Roman">            Terug naar Kaspar: Kaspar die plotseling opduikt in het Duitse Neurenberg is al bijna volwassen, maar hij heeft nog niet kennis gemaakt met de wereld. Kaspar heeft geen benul van het dagelijks leven, hij heeft geen concepten waarmee hij naar de wereld kan verwijzen en hij heeft geen woorden waarmee hij eventuele concepten tot uitdrukking kan brengen. Kaspar dwaalt stuurloos en doelloos rond tussen mensen die hem vreemd zijn, in een wereld die hem onbekend is. Wat Kaspar mist, is een verhaal. Hij heeft geen verhaal over zichzelf en geen verhaal over zijn omgeving. En als hij al een verhaal zou hebben, dan zou hij dat bij gebrek aan taal niet kunnen overdragen aan de artsen, wetenschappers en journalisten die hem dag en nacht observeren. Kaspar gedraagt zich in de ogen van de wereld als een wild dier.</font></font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font size="3"><font face="Times New Roman">            In mijn inleiding stelde ik de vraag hoe we naar elkaar kunnen luisteren als we er niet zonder meer vanuit kunnen gaan dat we elkaar onze eigen verhalen vertellen. Waar bestaat dat uit: mijn eigen verhaal? Is dat het verhaal dat voor mij uitdrukt hoe ik de wereld zie? Is dat het verhaal dat ik ten diepste begrijp? Is dat het verhaal dat mijn waarheid verwoordt? Is waarheid iets wat ik zal herkennen als ik deze hoor? Kaspar weet van niets iets. Kaspar moet vanalles leren, vindt men. Kaspar krijgt allerlei uitspraken over zich heen gestort en hij wordt verondersteld daaruit een werkelijkheid op te bouwen. Tot wat voor soort werkelijkheid leidt dat? Kaspar is een zelfstandige denker, maar eigenzinnig, ontoegankelijk en moeilijk te volgen. De mensen kunnen hem niet begrijpen. Ze willen een naprater van hem maken en dat gaat ten koste van zijn eigenheid. Hoe kun je iets leren van anderen? Alleen door zelf na te blijven denken. Kun je je denken ontwikkelen zonder taal? Nee. De mensen leren je de taal, vervolgens ontwikkel je je denken met behulp van die woorden en bijbehorende concepten en daarna moeten de taal en het denken een kritische samenwerking aangaan. Dat gaat niet vanzelf. In 1833, vijfeneenhalf jaar na zijn plotselinge verschijning, komt Kaspar Hauser op gewelddadige wijze om het leven. Wat rest is zijn verhaal, of beter gezegd: de verhalen over hem.</font></font></p>
<p><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><strong><font size="3"><font face="Times New Roman">Kennis<br />
</font></font></strong><font face="Times New Roman" size="3">Mensen vertellen elkaar verhalen. In de kunst worden verhalen verteld. In de wetenschap worden verhalen verteld. In het bedrijfsleven worden verhalen verteld. Het vertellen van verhalen is een manier om de wereld te ordenen. Elke ordening is een ordening vanuit een bepaald perspectief. Verschillende perspectieven leiden dan ook tot verschillende verhalen. Daarom zeggen sommige mensen: “Alles is betrekkelijk”. Andere mensen zeggen: “Niets is zeker”. “Wat wij zeggen, is waar”, zeggen weer anderen. Dit zijn de woorden van respectievelijk de relativisten, de sceptici en de dogmatici. In deze tijd wordt het ouderwets gevonden over waarheid te spreken. We zijn ons te zeer bewust van de overweldigende hoeveelheid en diversiteit aan verhalen en van de lastige vragen die zich voordoen bij het maken van onderscheid. Er lijken steeds meer verhalen in omloop. Wat is het verband tussen de verschillende verhalen? Is er een overkoepelend verhaal te vertellen? Welk verhaal past bij mij? Welk verhaal kan ik volgen? Welk verhaal is waar? Welk verhaal doet recht? Welk verhaal is mooi? Relativerend noemen sommige mensen tegenwoordig vanalles verhalen: theorieën zijn verhalen, geschiedenissen zijn verhalen, religies zijn verhalen. Mijn verhaal is mijn verhaal en jouw verhaal is jouw verhaal. Alles lijkt aanvaardbaar zolang iedereen niet meer dan zijn eigen verhaal vertelt. Maar is dat wat we elkaar te bieden hebben? Zo vrijblijvend kan het toch niet zijn. Nemen we genoegen met het elkaar vertellen van verhalen? Ik wil graag een wijzer mens worden van de verhalen die ik hoor. Wat is dan de plaats van kennisverwerving in verhalen? Ook wil ik graag een idee krijgen van wat waar is en wat onwaar, wat goed is en wat slecht. Wat is dan de plaats van waarheid of rechtvaardigheid in de verhalen die we elkaar vertellen? </font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3">In de oudheid hadden de sceptici een radicale oplossing bedacht om aan deze lastige vragen te ontsnappen. Scepticus Pyrrho – het opperhoofd van de beweging – had de gewoonte zijn omgeving onophoudelijk te confronteren met het feit dat de dingen in de wereld wel eens anders zouden kunnen zijn dan ze lijken. Pyrrho stond erom bekend dat hij nooit de waarheid of de onwaarheid, de goedheid of de schande van iets bevestigde of ontkende: hij schortte zijn oordeel op. Dat betekende dat hij niets uit de weg ging en nooit voorzorgsmaatregelen nam: hij trad alle risico’s in het leven moedig tegemoet en hij aanvaardde deze zoals ze op hem afkwamen. Of het nu ging om een paard en wagen dat plotseling zijn pad kruiste, een steile afgrond vlak langs de weg waarop hij liep of een groep wilde honden die op hem af renden, het raakte hem niet. Hij schonk er simpelweg geen aandacht aan omdat hij niets wilde overlaten aan wat hij beschouwde als de willekeur en de grilligheid van zijn zintuiglijke waarneming. Als hij bijvoorbeeld richting een afgrond liep, dan zag hij diepte onder zich. Maar omdat hij de mogelijkheid wilde openhouden dat hij <em>niet</em> viel als hij van de klif stapte, liep hij door. Pyrrho handelde niet uit onverschilligheid; hij zag alleen geen reden te geloven dat hij waarnam wat hij waarnam. Dankzij zijn vrienden die hem voor talloze fatale ongelukken hebben behoed, is Pyrrho bijna negentig jaar oud geworden. Een opmerkelijke prestatie voor een radicale scepticus, zeker in die tijd.</font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3">U zult begrijpen dat Pyrrho in zijn lange leven weinig verhalen heeft verteld. Een leven zonder overtuigingen was volgens hem de meest begerenswaardige vorm van leven en zonder overtuigingen maak je natuurlijk geen interessante verhalen. Pyrrho ervoer gedurende zijn leven een sterke vorm van gemoedsrust: hij was onverstoorbaar. Volgens Pyrrho zal een ieder die weigert zich over wat dan ook uit te spreken en door het leven durft te wandelen zonder ergens geloof aan te hechten, deze gemoedsrust verwerven. Maar willen wij ons wel onthechten van elke verwachting en elke aanname in ons dagelijks leven? Stelt u zich voor dat u elke keer dat u een deur opent, er rekening mee moet houden dat er geen bodem ligt in de ruimte die u binnenstapt. Kunt u ermee akkoord gaan nergens een standpunt over in te nemen? Als gedachtenexperiment is het interessant, maar in de dagelijkse praktijk niet erg realistisch. Wel is Pyrrho’s radicale levenshouding een goede uitdrukking van een volgens mij belangrijk perspectief op de omgang met de veelheid aan verhalen om ons heen: enerzijds streven we naar dat ene ware, juiste, mooie verhaal – net als Pyrrho zijn we op zoek. En anderzijds leven we met het niet-vervuld zijn van dit streven – net als Pyrrho gaan we door met zoeken. Sommigen leren in dit niet-vervuld zijn zelfs te berusten en worden net als Pyrrho onverstoorbaar, maar niet gedemotiveerd. De zoekende houding is een houding die zorgt dat je lang in beweging blijft.</font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font size="3"><font face="Times New Roman">Kennis en zekerheid zijn verschillende zaken. Pyrrho wist het al eeuwen voor de jaartelling begon, maar hij heeft geen grote groepen kunnen mobiliseren voor de radicale consequenties die hij eraan verbond. In de twintigste eeuw hebben de wetenschapsfilosofen Popper en Kuhn zich over vergelijkbare fundamentele kwesties gebogen en zij kwamen gelukkig met een wat beter na te volgen manier van omgaan met kennis en zekerheid. Voor Popper bestaat zowel het leven als de wetenschap uit het oplossen van problemen. Als je op een probleem stuit, dan moet je een oplossing verzinnen en vervolgens moet je deze oplossing testen. Definitieve verhalen bestaan niet en dus ook dat ene ware, juiste, mooie verhaal bestaat niet. Je zou kunnen zeggen dat volgens Popper de waarheid van een verhaal bestaat uit de herhaalbare toetsbaarheid ervan. Wetenschapsfilosoof Kuhn heeft op zijn beurt, enkele decennia na Popper, de invloed van contextuele factoren benadrukt. Volgens Kuhn kan kennis niet groeien in de richting van een steeds betere benadering van waarheid omdat er geen gemeenschappelijke maat is waarmee deze kennis kan worden beoordeeld. Vertaald naar het vertellen van verhalen betekent dit dat we er goed aan doen elk verhaal in zijn eigen context te beoordelen.<br />
</font></font><font size="3"><font face="Times New Roman">Wanneer je de radicale sceptische aanpak van Pyrrho hebt uitgeprobeerd, de standpunten van de relativisten en de dogmatici hebt aangehoord, de lessen van Popper en Kuhn op je in hebt laten werken en je een voorstelling hebt gemaakt van het drama van Kaspar, lijkt het tijd voor een plan van aanpak. Hoe wil ik omgaan met de verscheidenheid aan verhalen die er in de wereld worden verteld en hoe bepaal ik mijn eigen standpunt ten opzichte daarvan? Het lijkt mij goed het beste van de drie werelden te combineren: wanneer je naar een verhaal luistert, hanteer dan enig scepticisme in de zin van een houding van kritiek en openheid, hanteer daarnaast enig relativisme in de zin van grenzen stellend aan de reikwijdte van de toepasbaarheid van het verhaal en hanteer tot slot enig dogmatisme in de zin van vertrouwen dat een streven naar het ware, juiste en mooie je best verder kan helpen wanneer je je afvraagt hoe betrouwbaar een verhaal is. Verhalen ontstaan binnen een bepaald kader en met een bepaald doel voor ogen. Verhalen zijn nooit algemeen geldig of voor altijd waar. Elk verhaal vereist zijn eigen specifieke contextuele rechtvaardiging en daardoor kan elk verhaal dan ook slechts een beperkte toepassing hebben. Bovendien veranderen de normen die toegepast moeten worden bij de beoordeling van een verhaal. Het ontwikkelen van kennis bestaat volgens mij uit het op gang houden van het vertellen van verhalen en het kritisch gesprek of de kritische discussie daarover. Het wordt er allemaal niet eenvoudiger op, maar gelukkig blijkt Pyrrho’s opschorting van het oordeel niet de enige manier waarop recht kan worden gedaan.<br />
</font></font><font face="Times New Roman" size="3"> </font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><strong><font size="3"><font face="Times New Roman">Tot slot<br />
</font></font></strong><font face="Times New Roman" size="3">Hebben wij behoefte aan kennis? Ja. Hebben wij behoefte aan kunst? Ik denk het wel. Wie zal het hoofd, het hart en de buik met elkaar verbinden als er geen kunstenaars zijn? We hebben behoefte aan verbinding van de verschillende aspecten van het leven, ik ten minste wel. En dan ook nog graag in een goede vertaling: in een vorm die ik ten minste intuïtief herken, in een vorm die schoonheid brengt, in een vorm die houvast geeft en daarnaast voldoende open plekken biedt voor mijn persoonlijke associaties. Kennis en kunst zijn niet te scheiden. Kennis heeft een vertaling nodig om zichzelf toegankelijk en communiceerbaar te maken: kennis heeft een vorm nodig die mensen aanspreekt. En kunst heeft op haar beurt kennis nodig: om zichzelf in een brede context te kunnen bekijken, zichzelf te relativeren en op waarde te schatten. Toch blijven kennis en kunst helaas vaak gescheiden werelden die elkaar slechts zijdelings van dienst zijn. </font></p>
<p><font face="Times New Roman" size="3">Degene onder u die in staat is de gouden brug te slaan tussen kennis en kunst wil ik vragen mij straks even persoonlijk aan te spreken. Is er een manier om het keurslijf van kennis te respecteren en te gehoorzamen en je er tegelijkertijd uit te bevrijden om vervolgens een duikvlucht te maken in de vrije ruimte van de kunsten waar je de twee werelden met elkaar verbindt op een manier die evenveel recht doet aan beide? Ik wil het graag weten. Ik probeer hoofd, hart en buik al een aantal jaren met elkaar te verbinden, maar kom steeds weer uit op constructies waarin de een de andere twee domineert of waarin ik een van de drie onderweg blijk te hebben verloren.</font></p>
<p><font face="Times New Roman" size="3">Vorig jaar heb ik het toneelstuk ‘Olympia’ geschreven, in opdracht van de Haagse theatergroep Noordvolk. Zij hebben het stuk uitgebracht onder de titel ‘Liggend naakt bij staande schemerlamp’. Straks, na het eten, gaan we met elkaar naar de voorstelling kijken. Het is een verhaal over Olympia, de vrouw uit het gelijknamige schilderij van Edouard Manet uit 1863 en de suppoost van het museum waar het schilderij hangt. Voor sommigen is het een verhaal over de liefde tussen een man en een vrouw, voor anderen gaat het over intimiteit, voor weer anderen is het een verhaal over emancipatie, of over seksuele emancipatie, of over gevangenschap, of over het verlangen naar iets wat je niet kunt krijgen. Dat is allemaal waar, al die thema’s blijken in het stuk te vinden te zijn, het is maar vanuit welk perspectief je kijkt. Nooit eerder heb ik zo duidelijk ervaren hoe één verhaal verwordt tot tientallen verhalen. Het perspectief van waaruit je kijkt, is de aanzet tot een nieuw verhaal dat een variant vormt op het oorspronkelijke. Van al die thema’s en betekenissen die ik van mensen heb teruggekregen, kan ik maar van één of twee zeggen dat ik deze bewust in het verhaal heb verwerkt. Sterker nog: ik wist niet eens dat deze thema’s erin zaten, laat staan dat ik ze erin heb gestopt tijdens het schrijven. Zo werkt dat niet. Ik mag dan wel een verhaal hebben gecreëerd, maar dat betekent niet dat ik me bewust ben van de thema’s en betekenissen die ik met dit verhaal overdraag. Iedereen heeft een ander nodig om zijn eigen verhaal te kunnen interpreteren. Je bent nooit klaar met het vervolmaken van je verhaal: elke dialoog en elke discussie over dat verhaal leidt weer tot een aangepaste versie. Dit gegeven is volgens mij waar, juist én mooi tegelijk. Dit is geen relativisme, dit is geen scepticisme, dit is geen dogmatisme. Dit is luisterend, vertellend en herformulerend in beweging blijven en dat is wellicht het beste dat we met elkaar kunnen doen.</font></p>
<p><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3">Kiki Verbeek, september 2006</font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"> </font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3" /><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"> </font></font></font><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"><font face="Times New Roman" size="3"></p>
<p /></font></font></font></font></font> </p>
<p /></font></font></font></font></font></p>
<p /></font></font></font></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2006/10/14/2006-gevangen-door-verhalen-kiki-verbeek/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Kijken naar goudvissen &#8211; René ten Bos</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2005/04/16/kijken-naar-goudvissen-rene-ten-bos/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2005/04/16/kijken-naar-goudvissen-rene-ten-bos/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 16 Apr 2005 20:36:48 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Lezingen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2007/03/27/kijken-naar-goudvissen-rene-ten-bos/</guid>
		<description><![CDATA[Mijn dochter houdt van goudvissen en omdat mijn dochter van goudvissen houdt,
houd ik ook van goudvissen, maar verder heb ik er eerlijk gezegd niet veel mee. Of
liever gezegd, verder hoef ik niet naar het visbeest in die kom helemaal aan de andere
kant van het aanrecht, vervaarlijk dichtbij de afvalbak, te kijken. Ik wil u gaan
uitleggen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Mijn dochter houdt van goudvissen en omdat mijn dochter van goudvissen houdt,<br />
houd ik ook van goudvissen, maar verder heb ik er eerlijk gezegd niet veel mee. Of<br />
liever gezegd, verder hoef ik niet naar het visbeest in die kom helemaal aan de andere<br />
kant van het aanrecht, vervaarlijk dichtbij de afvalbak, te kijken. Ik wil u gaan<br />
uitleggen hoe dat komt.</p>
<p><span id="more-34"></span><br />
Een en ander heeft natuurlijk met glas te maken. Goudvissen zitten opgesloten in<br />
glas. Dat moet te denken geven. We zijn hier in een gebouw met veel glas, en over<br />
glas wil ik het dus met u hebben. Een beetje uit de losse pols, een beetje filosofisch.<br />
Dat is niet raar voor een filosoof, want filosofen zijn altijd gefascineerd geweest door<br />
glas. Hoe komt dat? Filosofen zijn, zoals u weet, niet geïnteresseerd in praktische<br />
oplossingen, maar in de onoplosbare problemen die we kennen als paradoxen. Glas is<br />
bij uitstek paradoxaal: het beschermt en is breekbaar tegelijk, het maakt doorzichtig<br />
maar juist ook onzichtbaar, het isoleert maar laat tezelfdertijd door. Omdat filosofen<br />
zich bij voorkeur vermeien in het doordenken van paradoxen, moet glas wel een<br />
thema worden. Geen filosoof die niet heeft nagedacht over glas. Er zijn er zelfs die er<br />
hun beroep van gemaakt hebben. Uiteindelijk valt er, als je alleen maar filosoof en<br />
helemaal niets anders bent, geen droog brood aan de wijsbegeerte te verdienen. Je<br />
zou je leven beter kunnen slijten als bijvoorbeeld een glazenslijper. Spinoza, de<br />
grootste filosoof die dit land ooit heeft voortgebracht, heeft aan die glasslijperij zijn<br />
glasheldere filosofie te danken.<br />
Nu ben ik, dames en heren, een filosoof van aanzienlijk minder allooi en ook nog<br />
eens één die ooit eens besloten heeft zich bezig te houden met onfilosofische zaken<br />
als organisatie en management. Dat levert me bepaalde moeilijkheden op, want de<br />
wereld van organisatie en management stond lange tijd onder het teken van een<br />
element dat heel iets anders is dan glas. Dat element is ijzer. Bureaucratieën zijn door<br />
niemand minder dan Weber, de grote Duitse socioloog, aangeduid als stahlharte<br />
Gehäuser. Doordat de Engelsen, die doorgaans geen verstand hebben van andere<br />
talen dan hun eigen taal, dit vertaalden met ‘iron cage’ is het beeld van de ijzeren<br />
kooi populair geworden.<br />
Toch is een bureaucratie volgens Weber iets anders dan een ijzeren kooi. In een<br />
bureaucratie zijn mensen niet als vogeltjes die gevangen worden gehouden. De<br />
bureaucratie doet meer dan mensen alleen maar gevangen zetten. Nogmaals, het gaat<br />
om een huis zo hard als staal. Je woont in dat huis, misschien kun je inderdaad<br />
zeggen dat je erin gevangen zit, maar als je het daarbij laat, vergeet je dat het ook<br />
gaat om een huis dat je meesleept, een beetje zoals een slak zijn huisje meesleept.<br />
Maar wat sleept de bureaucratische slak eigenlijk mee als hij een huis zo hard als<br />
staal met zich meesleept? Hij sleept iets mee dat ook onderdeel van hemzelf is<br />
geworden. Het beeld van de ijzeren kooi is fout, omdat het veronderstelt dat het<br />
vogeltje een vreemde is in zijn kooi of, liever gezegd, dat het vogeltje eigenlijk<br />
zonder zijn kooi zou kunnen. Het beeld van het ijzeren slakkenhuis laat zien dat de<br />
bureaucratie met al haar ijzeren hardheid zowel het lichaam als de geest<br />
binnendringt. De bureaucratie plaatst niet zozeer subjecten in een vervreemdende<br />
omgeving – dat is het beeld van vogeltjes in een kooi – maar creëert een geheel<br />
nieuw soort subject, een subject dat het eigenlijk wel best vindt dat het geworden is<br />
wat het is, kortom, een staalharde slak die zich aanpast aan de geïnstitutionaliseerde<br />
slakkengang om hem heen.<br />
Laat ik mij minder poëtisch uitdrukken. Het ijzer van de bureaucratie is haar weerzin<br />
tegen wonderen en wonderdoeners, haar voorkeur voor procedure en rationaliteit,<br />
haar hang naar wetenschap en oplossing, en bovenal haar vertrouwen op het subject<br />
van de neutrale functionaris. Die functionaris is accuraat, stipt, robuust, stoïcijns,<br />
zakelijk, moreel neutraal en dus onpersoonlijk. Hij is dat nieuwe subject waar ik het<br />
zojuist over had, dat wil zeggen, een deel van de ijzeren machine en hij kan dat<br />
alleen maar worden omdat hij de mens in zichzelf, de mens die ergens achter de<br />
functionarissenschijn moet schuil gaan, als het ware tussen haakjes weet te zetten: de<br />
staalharde regels spelen altijd een belangrijkere rol bij zijn gedrag dan persoonlijke<br />
overwegingen of voorkeuren. Simpel gezegd, de slak met zijn stalen huis is een soort<br />
asceet en zo zag Weber hem ook. In het staalharde huis is geen plaats voor<br />
levensgenieters.<br />
Maar dat was allemaal ijzer. Steeds vaker hoort men fluisteren dat het maar eens<br />
afgelopen moet zijn met het ijzeren tijdperk en de slakken die het voortbrengt. Het<br />
onbehagen met de bureaucratie is te groot. Freudiaanse onlustgevoelens spoken rond<br />
in het staalharde huis. Wie wil nou leven en sterven als een ijzerslak? Nee, het ijzeren<br />
tijdperk is voorbij. Tegenwoordig leven we in het tijdperk van glas. Ook organisaties<br />
moeten tegenwoordig van glas zijn. Ik zal zo uitleggen wat ik daarmee bedoel. Ik wil<br />
nu eerst in het algemeen iets over glas zeggen. Want als ik beweer dat we net een<br />
glazen tijdperk in zijn gegaan, dan wil dat niet zeggen dat glas een jonge technologie<br />
is.</p>
<p>Integendeel zelfs, het is een veel oudere technologie dan menigeen denkt. In Egypte,<br />
zo’n 1800 jaar voor Christus, werd vermoedelijk al glas gemaakt, ook al is de<br />
toepassing niet helemaal duidelijk. Archeologen hebben in de restanten van de<br />
bedolven stad Pompei glazen ramen gevonden. In de vroege middeleeuwen werd glas<br />
ontdekt als middel om vloeistoffen in te bewaren en vrij snel werd het ook gebruikt<br />
als decoratie in kerken of publieke gebouwen. Het zou echter nog tot de Renaissance<br />
duren aleer glas de functionele rol kreeg die het nu heeft. Het gaat bij die rol primair<br />
om transparantie en reflectie: je kijkt door glas en glas kaatst ook terug.<br />
In het eerste geval heeft glas iets ‘unheimisch’, want je weet dat er van de andere<br />
kant ook door glas gekeken wordt. Er is een nabijheid die evenwel door de<br />
metastabiele stof, die glas is, nooit echte nabijheid kan worden: wie elkaar door glas<br />
ziet, kan niet om koele objectivering heen. Dat is de essentie van alle utopische<br />
glazendromen die de architectuur heeft gehad: er wordt een nabijheid gecreëerd die<br />
op afstand blijft of een afstand die nabij lijkt. Denk in dit verband maar eens aan de<br />
bioloog die door het diafragma van een microscoop kijkt: the object is so close and<br />
yet so far.<br />
De intellectuele invloed van opticiens als Zacharias Jansen, die in 1590 de<br />
microscoop uitvond, of Johann Lippersheim, die 15 jaar later de telescoop uitvond, is<br />
ongekend. Door glas werd de wereld in het groot en in het klein uitgebreid met tal<br />
van nieuwe entiteiten: van Leeuwenhoeks bacteriën tot Galilei’s sterren en planeten.<br />
Glas is een peephole waar je nieuwe werelden doorheen kunt zien.<br />
In het tweede geval – het geval van de reflectie dus – is glas juist datgene waar je niet<br />
doorheen kunt kijken en is glas wat terugkaatst: ze leidt niet tot een verdieping of<br />
uitbreiding, maar tot een verdubbeling van de wereld. Door spiegeling krijgt glas zijn<br />
controlerende functie.<br />
Zoals de techniekfilosoof Lewis Mumford in zijn Technics and Civilization heeft<br />
laten zien, heeft de mens door de spiegel voor zichzelf een gezicht voor zichzelf in<br />
plaats van alleen maar voor anderen gekregen &#8211; en met dit gezicht kwam bijvoorbeeld<br />
de terreur van de zelfcontrole. De moderne mens pulkt, fronst en trekt bekken voor<br />
de spiegel en dat allemaal om zichzelf de maat te nemen. Geen ongewenste neushaar<br />
blijft zitten, geen kromgebogen rimpel kan worden geaccepteerd, geen gat of puist<br />
wordt niet dicht geplamuurd. Reflectie is verworden tot check en doublecheck. De<br />
consequentie van dit alles is natuurlijk een volstrekt pathologische zelfobsessie: de<br />
mens is door het glas niet meer in de wereld maar in en met zichzelf. Mumford<br />
gelooft serieus dat glas het geluk van de mensen heeft aangetast.<br />
Glas is, afgezien van al zijn onmiskenbare verdiensten, dus ook linke soep. Het heeft<br />
bijgedragen aan objectivering en controle. We mogen niet vergeten dat dit twee<br />
bureaucratische elementen zijn. Dat betekent dus dat de bureaucratie nooit uitsluitend<br />
uit ijzer heeft bestaan. Ze heeft altijd ook met glas gekoketteerd. Juist daardoor kon<br />
glas zo dominant worden in onze organisaties: ondanks de paradoxale aard ervan is<br />
glas niet wezensvreemd aan die organisaties. Misschien zijn organisaties wel veel<br />
paradoxaler dan je zo op het eerste gezicht in deze wereld van rechtlijnigheid en<br />
efficiëntie zou willen toegeven. Het hoeft daarom geen verbazing te wekken dat met<br />
name bedrijfs- of overheidsgebouwen onder de dictatuur van het glas zijn komen te<br />
staan. De hele geschiedenis van de moderne architectuur getuigt daar van. Waar<br />
gewerkt wordt, is glas een belangrijk medium. Zonder doorzichtigheid kan geen<br />
functionaris zijn werk doen. Zonder glas is orde onmogelijk.<br />
Het Panopticum waar Michel Foucault zo indringend over heeft geschreven is een<br />
voorbeeld van een bureaucratische toepassing van het glasprincipe. Het is allemaal<br />
bekend. Een rond gebouw staat om een toren. In die toren zitten uitkijkvensters. Daar<br />
zitten toezichthouders. Zij kijken naar het ronde gebouw. Dat ronde gebouw bestaat<br />
uit cellen. Die cellen hebben een raam voor en een raam achter. Het voorste raam<br />
correspondeert met de ramen in de toren. Door de achterste ramen komt een licht dat<br />
de silhouetten van de mensen in de cel volledig zichtbaar maakt voor de<br />
toezichthouder in de toren. De duisternis van de kerker wordt vervangen door een<br />
lichtregime. De truc is dat de celbewoners de toezichthouders soms wel en soms niet<br />
kunnen zien. De toren is een onomstotelijke zekerheid voor de celbewoners, maar ze<br />
kunnen nooit zeker weten dat ze bespied worden. Tegelijkertijd weten ze dat ze altijd<br />
bespied kunnen worden. Macht wordt door het spel van glas met licht tot een<br />
automatisme dat Foucault, maatschappijcriticus als hij was, symptomatisch vond<br />
voor de hele westerse beschaving. Disciplinering noemde hij het en glas is een<br />
uitstekend hulpmiddel daarbij. We mogen dat niet vergeten, ook al heeft glas, zoals<br />
we straks zullen zien, meer dan alleen maar bureaucratische effecten.<br />
Laat ik eerst nog wat meer zeggen over het materiaal zelf. Niemand heeft<br />
waarschijnlijk zo diepzinnig over glas geschreven als Walter Benjamin, de Duits-<br />
Joodse filosoof die bij het aanbreken van de tweede wereldoorlog zelfmoord pleegde.<br />
“Glas”, schrijft hij, “is een hard en glad materiaal waarop niets zich vastzet. Ook een<br />
koud en nuchter. De dingen uit glas hebben geen ‘aura’. Het glas is nu eenmaal de<br />
vijand van het geheim. Het is ook de vijand van het bezit.” Scheerbart, Taut, Loos en<br />
Le Corbusier – hun werk is ondenkbaar zonder de utopische idylle van de<br />
transparantie.<br />
Benjamins uitspraak laat zien dat glas een probleem is in onze samenleving. Glas<br />
heeft geen aura, het is koel, het is afstandelijk. Het ondermijnt, zou ik daaraan toe<br />
willen voegen, het traditionele kinesthetische vertrouwen van de mens in de<br />
gecombineerde macht van de zintuigen en kent alleen nog maar een primaat toe aan<br />
het oog: in een wereld waarin glas zowel wetenschap als organisatie fundeert en<br />
overheerst, kan de mens alleen nog maar waardering opbrengen voor zijn oog en<br />
raken reuk, gehoor, smaak en tast in een cognitief verdomhoekje – dat wil zeggen:<br />
waar glas steeds meer en meer een mediale functie heeft, worden de andere zintuigen<br />
verbannen naar een louter esthetisch domein. Het is mooi om lekker te eten en goede<br />
muziek te luisteren, maar aan de progressie van onze glorieuze kennis kan zoiets<br />
onmogelijk bijdragen. Die verheffende rol is alleen maar voor het oog weggelegd.<br />
Sinds glas, zeggen filosofen dan, leven we allemaal onder een ‘oculair gecentreerd<br />
regime’. In gewone mensentaal: het oog is de baas. Ziedaar de essentie van het<br />
Panopticum.</p>
<p>Dat moeten ze ook in organisaties gedacht hebben: er is daar steeds minder ijzer en<br />
steeds meer glas. Dat leidt niet zozeer tot een einde van de bureaucratie – glas blijft<br />
een bepaald type bureaucratische allure hebben – maar veeleer tot een verandering<br />
van de bureaucratie: ze wordt subtieler, ze kruipt meer onder de huid, ze verandert<br />
mensen in plaats van dat ze hen alleen maar onderwerpt. De bekende<br />
organisatiedeskundige Yannis Gabriel heeft die transformatie van de bureaucratie als<br />
volgt omschreven: “In plaats van de beheersing die geassocieerd wordt met de<br />
moderne bureaucratie, de regels en de regelgeving die de tralies van de ijzeren kooi<br />
vormden, nemen hedendaagse organisaties hun toevlucht tot veel subtielere en toch<br />
ook veel diepere vormen van beheersing, vormen die tegelijkertijd door- en<br />
indringend zijn, die niet zozeer een persoon beperken maar veeleer deze persoon<br />
bepalen.” Gabriel noemt daarbij onder meer de volgende elementen: culturele en<br />
ideologische controle in de vorm van klantvriendelijkheidoffensieven,<br />
kwaliteitsimpulsen en imagomaatregelen, structurele controle in de vorm van<br />
doorlopende resultaatmetingen, benchmarking en structuurverplatting,<br />
technologische controle in de vorm van elektronische of gecomputeriseerde<br />
veiligheidsprotocollen en ten slotte spatiale controle in de vorm van open space<br />
kantoren en dergelijke meer.<br />
Wat heeft dit allemaal met glas te maken? In al deze maatregelen gaat in ieder geval<br />
een obsessie schuil met transparantie: de doorzichtigheid van het Panopticum blijft<br />
een paradigma voor de hedendaagse organisatie- of bedrijfskundige. Maar als dat zo<br />
is, dan zijn er tegelijkertijd ook nieuwe en complexere vormen van onderwerping. De<br />
leden van de organisatie zitten nog steeds in val, maar de val heeft een ander karakter<br />
gekregen: ze zitten, stelt Gabriel, in een glazen kooi of, misschien beter nog, in een<br />
glazen paleis. Overal zie je camera’s, die handel en wandel van medewerker en<br />
bezoeker blootleggen. Mensen worden in toenemende mate op basis van beelden<br />
beoordeeld, niet alleen door andere mensen in de organisatie, maar ook door mensen<br />
buiten de organisatie. Hoe dat oordelen precies in zijn werk gaat, wat de<br />
wetmatigheden ervan zijn, is overigens niet helemaal duidelijk. Sinds we van mening<br />
zijn dat alles zo transparant mogelijk moet zijn, inclusief bijvoorbeeld de obscene<br />
salarissen van topfunctionarissen, is de ambivalentie alleen maar toegenomen:<br />
transparantie maakt lang niet altijd alles helder. Nu het volk weet wat de top verdient,<br />
denkt het volk: hè bah, wat walgelijk – maar tal van andere mensen, die kennelijk<br />
niet tot het volk behoren, denken iets heel anders: omdat ze zien wat bazen hebben,<br />
willen ze het zelf ook. Je kunt door glas heenkijken en denken: ik hoef het glas maar<br />
kapot te slaan en ik ben aan de andere kant. Soms kun je ook denken: verdomd, ik<br />
kom nooit door dat glas heen. Vrouwen denken in organisaties vaak dat het glas<br />
gewoon te hoog zit: ze kunnen het gewoon niet weg slaan. Zoiets duidt men dan aan<br />
als het glazen plafond.<br />
Waar het om gaat in de glazen kooi, dames en heren, is dat alles zichtbaar wordt,<br />
maar toch ook blijft er veel verborgen. Helderheid en ambivalentie wervelen om<br />
elkaar heen. Alles draait om openheid en doorzichtigheid, tegelijkertijd is de<br />
dubbelzinnigheid nooit groter geweest. Ja, ja, de organisatie als een spektakelstuk<br />
waar je doorheen kunt kijken, alsof de bazen inderdaad als goudvissen in een kom<br />
zitten: het mooie wordt er supermooi (visie en charisma noemen ze dat) en het lelijke<br />
wordt er superlelijk (inhaligheid en dwangneurose worden onder meer genoemd).<br />
Dat is misschien wel het belangrijkste kenmerk van glas: wat achter glas zit, wordt,<br />
of je het nu zichtbaarder wordt of niet, alleen daardoor al waanzinnig belangrijk, dat<br />
wil zeggen, waanzinnig mooi of lelijk. Glas is altijd vergrootglas – daar hebben we,<br />
wat de glazen huizen van organisaties betreft, echt geen Zacharias Jansen of Johann<br />
Lippersheim voor nodig.<br />
Dames en heren, mijn conclusie is dus van een kinderlijke eenvoud: Ik wil niet kijken<br />
naar goudvissen … Waar we alles alleen maar uitvergoten, dreigt immers het gevaar<br />
dat we niets meer zien. Dat is de kern, wist de situationist Guy Debord al, van alle<br />
spektakel: hoe meer je zichtbaar maakt, hoe meer er verduisterd wordt. Er is geen<br />
licht zonder duisternis en geen duisternis zonder ligt. Dat is overigens iets wat de<br />
transparantieprofeten van het huidige kabinet met hun zelotenverering voor het<br />
bedrijfsleven maar niet in de gaten willen hebben.<br />
Om misverstanden, die altijd het gevolg zijn van kinderlijk eenvoudige conclusies, te<br />
voorkomen: Ik wil geenszins beweren dat glas geen voordelen biedt. Je kunt er niet<br />
alleen doorheen of in kijken – dat zijn functies die de relatie tussen waarnemer en<br />
glas bepalen – maar glas is ook relatief immuun voor andere stoffen, dingen en<br />
wezens. Nogmaals Benjamin: niets zet zich op glas vast. Je kunt dus bijna alles in<br />
glas stoppen zonder dat het glas daaronder lijdt: van miltvuurbacterie tot een<br />
excellente Bordeaux. Anders gezegd, glas heeft onafwendbare hygiënische<br />
voordelen: het geeft toegang tot de wereld zonder dat die wereld de waarnemer hoeft<br />
te besmetten.<br />
Glas desinfecteert dus in zekere zin. Hoe vreemd dus dat glas toch ook alles met<br />
extase en roes te maken heeft. Iedere drankorgel kan je dat vertellen. Misschien<br />
hebben denkers als Benjamin en Mumford, twee tijdgenoten die vooral in het<br />
duistere interbellum schreven, wat al te eenzijdig de dystopische elementen van glas<br />
benadrukt. Wat is er immers mis met een glas wijn?<br />
Wijn is, dat weten we allemaal, niet primair bedoeld om naar te kijken. Nu zult u<br />
misschien zeggen dat dit voorbeeld niet over glas gaat, maar over wat er in het glas<br />
zit en dat daarmee de koele, neutrale rol van het glas onaangetast blijft. Maar de ware<br />
dronkaard weet beter: naarmate hij meer beneveld raakt, gaat hij dieper in het glas<br />
kijken. Dat rare ding, dat hij in zijn handen houdt, ondergaat transformaties van een<br />
ongekende omvang. De beroemde schilder Francis Bacon dronk wijn en nog meer<br />
wijn, keek toen door het glas en zag dat het glas zelf veel minder koel en afstandelijk<br />
is dan Benjamin kon bevroeden: wie drinkt, krijgt oog – en dit woord gebruik ik hier<br />
bewust – voor de auratische effecten van glas. Het leverde bij Bacon onvergetelijke<br />
portretten op van weggevaagde gezichten.<br />
Maar Bacon was een kunstenaar en kunstenaars hebben over het algemeen goed<br />
begrepen dat glas meer dan alleen maar een neutrale doorzichtigheidtechnologie is.<br />
Men thematiseert steeds vaker de vier elementen – aarde, water, vuur en lucht – die<br />
zo merkwaardig samenkomen in het glas: Suchan Konoshita, Jayant Naik, Masuda<br />
Hiromi, Roxy Paine – er zijn er veel meer die van glas meer dan alleen maar een<br />
zogenaamde postbureaucratische toestand maken.<br />
Glas kan een peephole naar een andere wereld zijn die vol zit met vreemde<br />
gebeurtenissen. Lewis Carrol, de bedenker van Alice in Wonderland en Through the<br />
Looking Glass heeft dit laten zien: als Alice door de ‘peep’ heengaat, blijkt dat de<br />
kamer waarin ze zit, ineens volop in beweging is. Bij Bacon en bij Carrol ontstijgt<br />
glas zijn bureaucratische functie. Glas hoeft ons, onder het mom van grenzeloze<br />
transparantie, niet te isoleren van gebeurtenissen, of te veroordelen tot een louter<br />
registrerende rol op afstand. Glas heeft een intensiteit, een aura, een extase van<br />
zichzelf.</p>
<p>Dank u wel.</p>
<p>René ten Bos</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2005/04/16/kijken-naar-goudvissen-rene-ten-bos/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Omgaan met vergankelijkheid &#8211; Frits Schipper</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2003/05/23/omgaan-met-vergankelijkheid-frits-schipper/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2003/05/23/omgaan-met-vergankelijkheid-frits-schipper/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 23 May 2003 20:39:02 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Lezingen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2003/05/23/omgaan-met-vergankelijkheid-frits-schipper/</guid>
		<description><![CDATA[Opmaat
Toen Joep Schrijvers mij enige tijd geleden benaderde of ik op de Vanwood­man bijeenkomst in Hombroich een lezing zou willen geven over &#8216;Verganke­lijkheid&#8217; heb ik niet meteen &#8220;ja&#8221; gezegd. Mijn eerste reactie was &#8220;waarom dit onderwerp?&#8221; en &#8220;waarom zouden we dit thema binnen Vanwoodman aan de orde moeten stellen?&#8221;. Joep had echter bepaalde intuï­ties en [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><em>Opmaat</em></strong><br />
<span />Toen Joep Schrijvers mij enige tijd geleden benaderde of ik op de Vanwood­man bijeenkomst in Hombroich een lezing zou willen geven over &#8216;Verganke­lijkheid&#8217; heb ik niet meteen &#8220;ja&#8221; gezegd. Mijn eerste reactie was &#8220;waarom dit onderwerp?&#8221; en &#8220;waarom zouden we dit thema binnen Vanwoodman aan de orde moeten stellen?&#8221;. Joep had echter bepaalde intuï­ties en die hebben me doen besluiten op de uitnodiging in te gaan. Nu is het een terechte les van de 20e eeuwse wetenschapsfilosofie dat een beroep op intuïtie geen recht­vaar­diging kan zijn voor een aanspraak op kennis, wel kunnen intuï­ties een heuristische rol vervullen en zo was het ook hier.</p>
<p><span id="more-35"></span><img title="More..." height="10" alt="More..." src="http://www.vanwoodman.com/www/wp-includes/js/tinymce/themes/advanced/images/spacer.gif" width="792" name="mce_plugin_wordpress_more" /> </p>
<p>            Wat Vanwoodman betreft, ongeveer drie jaar geleden nam ik deel aan het Leusdense symposium over kennisproductiviteit dat werd afgesloten met een Spaanse avond in de Laurenskerk te Alkmaar (begon daar niet de victo­rie?). Een van de onderde­len van die avond was een lezing over Dali en de mogelijkheid een deel van zijn werk te bekijken. Inte­ressant bij Dali is o.a. het schilderij <em>De duurzaamheid van de herinnering</em> waarin tot stil­stand gekomen klokken vloeiend vervormen. De mathematische tijd, voor Newton nog een metafy­sisch absolu­tum, toont daarin haar vergankelijkheid. Terugkijkend naar drie jaar geleden, kan in de aandacht voor Dali dus als een opmaat worden gezien tot het thema van vandaag. Anders gezegd, er is bij Vanwoodman kennelijk continuïteit in de aan­dacht voor vergan­ke­lijk­heid.<br />
<span /><span />Met deze laatste opmerking is tevens het eerste onderdeel van wat ik hierna zal bespreken genoemd: vergankelijkheid en continuïteit. Daarna zal ik onder het kopje <em>&#8220;van klacht naar lof&#8221;</em> kort ingaan op de geschiedenis van het denken over vergankelijkheid en ik zal afsluiten met enkele opmerkin­gen over vergankelijkheid en mode in managementdenken.<br />
       <br />
<span /><strong>I. <em>Vergankelijkheid en continuïteit</em></strong><br />
<span />Veel van wat mensen doen is gerelateerd aan hoe vergankelijk­heid wordt gewaardeerd. Deze kan daarbij verschillende gedaantes hebben, bijv. slijtage, zowel in letterlijke (fysische) als in overdrachtelijke zin, en vergetel­heid. Neem zoiets alledaags als onder­houd. Gebouwen en roeren­de zaken zoals auto&#8217;s, boten, fietsen etc. vergen een voortdu­rende strijd tegen de vergankelijk­heid die al het materiële ken­merkt<a name="_ftnref1"></a>[1]. Maar ook vriend­schappen kunnen slijten en vragen om onderhoud. Kijk verder eens naar de gezond­heidszorg en wat tegenwoordig duurzaam ondernemen wordt genoemd, staan beide niet eveneens in het teken een waarde­ring ­van het verganke­lijke? Ik denk van wel. Omgaan met vergetelheid is verder aan de orde in alles dat met geschiedenis verband houdt: het doen van historisch en archeologisch onder­zoek, het houden van herdenkingen, het vasthouden van tradities en rituelen, etc.<br />
            Naast het bieden van weerstand aan de vergankelijkheid, zijn er ook veel activiteiten gericht op het bevorderen ervan. Gebouwen worden soms bewust niet meer onderhouden of gesloopt, de geneeskunde is voortdurend bezig middelen te vinden om ziekteverwekkers te doen verdwijnen en soms is de zorg voor de zieke mens juist een dienst aan zijn vergankelijkheid, bedrijven worden geliquideerd (o.a. met behulp van sterfhuis­constructies). Verder worden sommige zaken bewust aan de vergetelheid prijsgegeven, vormen van politiek bestuur als achterhaald beschouwd, etc. Zelf heb ik ooit eens een tijdje meegewerkt aan een opgraving te Jeruzalem. Als ik daar nu &#8211; in termen van vergankelijkheid &#8211; op terugkijk, dan is de conclu­sie dat bij de gebruikte opgravingstechniek (o.a. houweel) bewust het risico werd genomen dat dingen werden vernietigd (bijv. antiek keuken­gerei) om iets anders aan de oppervlakte te brengen (de fundering van een belangrijk gebouw). Een ander voor­beeld is interim-management. De interim kan alleen functioneren dankzij de tijde­lijkheid van zijn/haar aanwezig­heid. Bovendien staat veel van wat de interim doet in het teken van &#8220;stoppen&#8221; (Van Gunsteren 2002), bijv. het losmaken van vastgelo­pen situa­ties. Kortom, de interim werkt met het oog op de vergankelijk­heid, tege­lijkertijd is het zo dat er een duurza­me verandering wordt nage­streefd.     <br />
            Wat tot dusver is gezegd maakt duidelijk dat veel van ons leven en werken in het teken staat van, enerzijds, een tegengaan van verganke­lijk­heid en streven naar duurzaamheid, en, anderzijds, een gerichtheid op het bevorde­ren van juist die vergankelijkheid. Vanuit een filosofisch perspec­tief is de vraag, of de selectie van het vergan­kelijke dat we willen behou­den/veiligstellen en dat wat we extra snel willen doen ver­dwijnen wordt genomen aan de hand van kriteria of dat steeds ad hoc met genoemde polari­teit wordt omgegaan, daarbij belangrijk. Een vervolg-vraag is dan of de eventuele kriteria zelf ook weer veranderlijk zijn of juist niet­. Een vriend vertelde me onlangs dat hij een verslag had gelezen van een discus­sie van wetenschappers ergens rond 1890 over de vraag wat er honderd jaar later niet meer zou zijn. Een van de stellige antwoorden was; &#8220;de wilde dieren&#8221;, iets dat als positief werd beschouwd omdat daardoor de wereld veiliger zou worden. In onze tijd daarentegen willen we de dreigen­de ondergang van groot wild juist afwenden, bijv. vanwege de wenselijkheid van variatie in levensvormen en de instandhouding van ecosystemen. Dat lijkt een grote verschuiving wat betreft het kriterium. Het is echter niet uitgesloten om onze reflectieve vermogens te richten op het onder­kennen van een meer algemeen en fundamenteel kriterium dat niet is veranderd of eventu­eel verder is gearti­culeerd, juist met het oog op continuïteit. Een ieder kan daar zo zijn of haar gedachten over hebben.<br />
    <br />
<span />Het punt van vergankelijkheid en continuïteit speelt ook bij de verschil­lende filosofische proclamaties van het &#8220;einde &#8230;&#8221; die vanaf het midden van de 19e eeuw tot in onze tijd zijn gedaan. <span lang="EN-US">Een bekend recent voorbeeld is Fukuya­ma&#8217;s <em>The End of history and the Last man</em>. </span>Zijn stelling is dat met de wereldwijde verspreiding van de liberale democratie de strijd tussen de grote ideologieën in principe beslecht is. Met dit &#8220;einde van&#8221; is tevens continuï­teit geïmpliceerd, namelijk van de liberale democratie. Andere voor­beelden van &#8220;einde van ..&#8221; proclamaties zijn: Marx&#8217; aankondi­ging van het einde van de burgerlijke cultuur, Nietzs­che&#8217;s verkondiging van de dood van God, Foucault&#8217;s einde van het sub­ject en de postmoderne nadruk op het einde van de Grote Verha­len. Ieder van deze proclamaties impliceert haar eigen continuïteit. Bijv. bij Marx de macht van het proletariaat en duurzame opheffing van de ver­vreem­ding, bij Foucault de doorgaande &#8211; om verzet roepende &#8211; invloed van disciplinerings­macht. Het postmodernisme impliceert, in ieder geval in de vorm van een verlangen, een doorgaande levende stroom van kleine verhalen. In organisa­tiestudies weerspiegelt zich dat o.a. in de aandacht voor lokale narrativi­teit. <br />
<span /><span />Vergankelijkheid is kennelijk overal, zowel op het niveau van de materië­le dingen als op het niveau van de geschiedenis. Echter, vergankelijkheid in een opzicht hoeft continuïteit in een ander opzicht nog niet uit te sluiten. Op het niveau van de materie poogt de natuurwetenschap daar inzicht in te geven. Wat de ge­schiedenis betreft kan bijv. gedacht worden aan Fukuyama. Er is nog wel geschiede­nis met een kleine &#8216;g&#8217;, d.w.z. betreffen­de politieke en maat­schappelijke ontwikke­lingen, techni­sche innovaties, conflicten etc., maar niet meer met een grote &#8216;G&#8217;. Nieuwe defini­ties van wat het betekent waarlijk mens te zijn en wezenlijke nieuwe principes van sociaal-maat­schappelijke organisa­tie zullen volgens Fukuyama niet meer gevonden worden, wat dat betreft is er dus continuïteit.<br />
            Wie wil filosoferen over vergankelijkheid kan verschillende sporen volgen. Het eerste is gericht op de metafysische vraag naar wat verganke­lijk is en naar wat blijvend is, bijv. met betrekking tot de natuur. Het tweede spoor is vooral gericht op de praktische vraag hoe met verganke­lijkheid moet worden omgegaan, en met name of en zo ja welke kriteria daarbij zouden moeten worden gehanteerd. De aangeduide voorbeelden kunnen daarop worden bezien. Het omgaan met vergan­kelijk­heid doet zich overal in de samenleving voor, ook bij verschillende professies is dit een belang­rijk punt. Ook verschil­lende ni­veaus van de samenle­ving, bijv. meso- en macro-, kunnen worden bezien op het omgaan met verganke­lijkheid en de daarbij gehanteerde kriteria. Op meso-niveau gaat het onder andere om de vergankelijkheid<->continuï­teit van ondernemingen en andere organisa­ties. Een voor­beeld van macro- kan gevonden worden in het denken van Fukuyama. Zijn positie bergt namelijk ook een kriteri­um in zich hoe op het niveau van de maat­schappe­lij­ke orde met verganke­lijk­heid<->continuï­teit moet worden omge­gaan. Een filosofisch perspectief daarop zal i) dit kriterium dienen te expliciteren en ii) de vraag onder ogen moeten zien in hoeverre dit kriterium acceptabel is. <br />
<span /><span /><strong>II. <em>Van klacht naar lof</em></strong><br />
<span />Er kunnen allerlei geschiedenissen geschreven worden. Een ervan is een geschiedenis van het beleven van en denken over vergankelijk­heid. In dit deel van mijn bijdrage wil ik daar een aantal aspecten van belichten.<br />
            Wie in de oudheid begint, met grote stappen door de geschiedenis gaat, en eindigt aan het einde van de 19e eeuw kan een doorgaande lijn ontwaren die m.i. het beste worden aangeduid als: &#8216;van klacht naar lof&#8217;. De in de bijlage opgenomen citaten laten dat duidelijk zien. Het eerste citaat betreft een zgn. harpernaarslied uit het oude Egypte, geschreven voor het graf van koning Antef (11e dynastie, 2100 v Chr.). Het is één grote klacht over de vergankelijkheid van het menselijk leven en ook van al datgene dat de mens doet, bijv. monumenten bouwen zoals piramides. Uiteindelijk zal er niets van overblijven. Met het ontstaan van de filoso­fie in de antieke wereld komt er een veel meer theoretische benadering naar voren. Neem Aristoteles (384-322 v Chr.). Hij was de leermeester van Alexander de Grote en hij ontwikkelde een omvattende filosofie waarin alles een plaats heeft, o.a. ethiek, fysica, logica, metafysica, staats­leer en biologie. Grote thema&#8217;s van zijn denken zijn i) hoe de verander­lijk­heid, continuïteit en orde van de werkelijkheid begrepen dient te worden en ii) wat het betekent een goed burger (zie stadsstaat) te zijn. Daarbij gaat hij ervan uit dat de realiteit als zodanig eeuwig is, er is geen begin en ook geen einde. Het in de bijlage opgenomen citaat laat iets zien van zijn benade­ring van de menselijke ziel en van zijn denken over astronomie. De ziel heeft verschillende delen en een ervan, het denkende deel, is eeuwig en kan gescheiden worden van het lichaam. Ten aanzien van de hemel is Aristo­teles van mening, dat al het bovenmaanse vast en onveran­derlijk is. Ook de beweging, bijv. van planeten en sterren, laat onveran­derlijkheid zien en alles komt weer op zijn vroegere posities terug (in moderne termi­nologie: de eenparige cirkelbeweging). Om dat allemaal te kunnen begrijpen stelt Aristoteles nu dat er een hemelse materie is, die eeuwig is en onveranderlijk.<br />
            Met het latere verdwijnen van de relatief overzichtelijke stadssta­ten (Macedonische en Romein­se rijk) ontstond er behoefte aan een wereld- en levens­beschouwing die het individu een houvast kon bieden. Men zocht daarom naar een levenskunst die de mens, temidden van alle wissel­vallighe­den van het leven, kon leren een innerlijke rust te veroveren en te bewaren. In de filosofie van de Stoa is daarvan het nodige te vinden. Wat de benade­ring van de menselijke vergankelijkheid betreft, is vooral Epicte­tus (50-120 n Chr.) bekend geworden met zijn uitspraak dat de dood een &#8220;niets&#8221; (zie bijlage) is: waarom zouden we er ons druk over moeten maken? Ten tijde van het leven van Epictetus ontstonden ook de eerste christelij­ke geloofsge­meenschappen. Een hoogtepunt van het vroegchristelijke denken vormt het werk van Augustinus (354-430 n Chr.). Hij bekeerde zich op een gegeven moment tot het christendom en werd bisschop van Hippo Regius in Noord Afrika. Een groot contrast met bijv. Aristote­les is Augustinus&#8217; opvatting van de werke­lijkheid als schepping. Daarmee is ook een interes­sant idee over de tijd verbonden, namelijk de gedachte dat de wereld niet <em>in</em> de tijd is geschapen maar <em>met</em> de tijd. Daarom heeft het bijv. geen zin om de vraag te stellen wat God deed voordat hij de schepping tot stand bracht. Het in de bijlage opgenomen citaat van Augustinus benadrukt de verganke­lijkheid van alles dat deel uitmaakt van de schepping. Werkelijke rust kan slechts gevonden worden in Hem die ook de tijd heeft geschapen. De mens dient zich daarom ook te oriënteren op deze onvergankelijke en boventijde­lijke realiteit. Er is dus een wenkend perspec­tief, een groot verschil met het Antef-lied.<br />
            Met de overgang van de Middeleeuwen naar de moderne tijd via de Renaissance wordt de nadruk op het aardse leven sterker. Ook de ontdek­kingsreizen hebben daarin een belangrijke rol gehad. Een in de 16e en 17e eeuw voorkomende centrale gedachte is dat de realiteit een vaste, onvergankelijke, wiskun­dig te begrijpen, orde heeft. De orde werd veelal nog wel gezien als van God gegeven, met de veronderstelling dat deze bij de schepping dacht als een wiskundige. Verder is er een verbinding met het deïsme: na de schep­ping verloopt alles via de vaste orde vanzelf. Ken­nis van die orde, zo meende men, gaf de mogelijkheid de reali­teit in te richten naar eigen inzicht (bijv. het bestrijden van ziekten) en tegelijk­ertijd de menselij­ke potenties vorm te geven. Dit sluit aan bij wat in de vorige paragraaf over het omgaan met vergankelijkheid is gezegd. In de 18e eeuw, ten tijde van de Verlichting, traden denkers op die vraagte­kens gingen plaat­sen bij het deïsme. Een bekend voorbeeld is Diderot (1713-1784). Aanvanke­lijk verde­dig­de hij nog het deïsme en de onsterfelijkheid van de ziel, in zijn latere werk verdwijnt dit: de eeuwige natuur &#8211; een zichzelf spelend klavier &#8211; is de enige omvattende realiteit en het voort­leven van een mens in de &#8216;geest&#8217; van anderen is voldoende.<br />
            Over het algemeen had de Verlichting niet veel aandacht voor ge­schie­denis en historische gesitueerd­heid van de mens, behalve dan in termen van door wetenschap ge­stuurde progres­sie. Aandacht voor de geschiedenis is echter volop aanwezig in het denken van Hegel (1770-1831) Bij hem is er overigens ook weer duidelijke rol voor de religie. Zijn filosofisch systeem geeft een allesomvattend beeld van de zich ontwikkelende reali­teit als noodza­kelijke manifes­tatie van de absolu­te Geest. Deze geest is de eeuwig op zich bestaande, in zichzelf terugkerende en teruggekeerde identiteit. Al wat is geweest en wat is (bijv. het individu, volk en staat), het vergan­kelijke, wordt daarop betrokken. Vergankelijkheid is daarmee dienstbaar aan de absolute geest. Dit geeft uiteindelijk de mogelijk­heid aan de mens om zich te verzoenen met het be­staande. Een groot criti­cus van Hegel was Kierkegaard (1813-1855). Hij verzet­te zich ertegen dat Hegel alles, ook de individuele existentie, opnam in het ontwikkelings­pro­ces van de absolute geest. De individuele persoon en het gewicht van de keuzen waar deze voor komt te staan verdwij­nen daarmee namelijk uit beeld. De mens is geen volk, geen massa, geen mens­heid, maar een afzonder­lijke enkeling. Kierkegaard moest daarom weinig hebben van een filosofie die zich richtte op het algeme­ne/noodzake­lijke en waarin het bijzondere, de enkeling, werd be­schouwd als element in een omvat­tend histo­risch proces gericht op een einddoel. Van Kierkegaard is in de bijlage een citaat opgenomen uit zijn geschrift <em>De Herhaling</em>. In dit citaat wordt de dialec­tiek van de herha­ling aange­duid. Deze dialectiek lijkt de verganke­lijkheid ten top. Toch was het idee van de herhaling, en dus van een zekere besten­dig­heid, voor Kierkeg­aard wel belangrijk omdat daarmee orde in het leven wordt gescha­pen, een orde die ook van belang is wanneer we ethisch willen leven (vanuit algeme­ne normen). De herhaling is daarmee de ernst van het be­staan. Kierkegaard wilde echter niet blijven staan bij de burgerlijke invulling van deze ernst. Uiteindelijk staat de enkeling tegenover de absolute God. <br />
            De laatste auteur is Nietzsche (1844-1900). Ik noemde hem al eerder als de verkondiger van de dood van God. In zijn werk is er geen spoor meer van een klacht over de vergankelijkheid, zoals bij de oude Egyptenaren. In tegen­deel, de vergankelijkheid wordt juist hogelijk gewaardeerd omdat er daarmee ruimte komt voor het scheppen­de individu. Sterker nog, er is geen creativiteit zonder vergankelijkheid: scheppen impliceert immers het bevorderen van vergankelijkheid. Het is mijns inziens niet onzinnig om hier een verbinding te leggen met Schumpe­ter&#8217;s idee van ondernemen als creatieve destructie. Een complicerende factor is Nietzsche&#8217;s leer van de eeuwige wederkeer van het gelijke. Deze leer laat zich op het eerste gezicht niet zo gemakkelijk verbin­den met de nadruk op de vergankelijk­heid. Een aanslui­ting ligt vermoedelijk in het idee de geschiedenis geen eindpunt kent waar alles naar toe beweegt en waaraan de mens dienstbaar moet zijn; iets analoogs zien we ook bij Kierkegaard. Zou er namelijk wel zo&#8217;n eindpunt zijn, dan belemmert dit de scheppende kracht van het indivi­du.    <br />
<span />De geschetste historische lijn laat zien dat het denken over vergankelijk­heid verweven is met allerlei metafysische en kennistheoreti­sche thema&#8217;s. Ook hoe de mens zich tegenover het verganke­lijke verhoudt of dient te verhouden komt aan de orde. Met name dat laatste is sterk aanwezig in Nietzsche&#8217;s lof van de vergankelijkheid.<br />
<span />   <br />
<strong>III. <em>Vergankelijkheid en management-denken</em></strong><br />
<span />De stap van wat in de vorige paragraaf aan de orde is gesteld naar het management-denken lijkt groot. Niets is echter minder waar, want er zijn allerlei aanknopingspunten. Een ervan is de al genoemde duiding van ondernemen als creatieve destructie. Een ander is het gangbare onderscheid tussen (cultuurvormende) leiders en managers. De eerste zijn creatief en de tweede vooral bezig met een op wetenschap en techniek gebaseerde ratio­nele bestu­ring van organisa­ties. Op dit punt kan ook weer een verbinding gelegd worden met Nietzsche. Nietzsche, zo stelt Schubart, &#8220;lijdt aan de mechanisering, aan de techniek, aan de zegetocht der ratio&#8221;. De al vroeg in de 20e eeuw levende gedachte van op wetenschap gebaseerde management­-principes zou hem vermoedelijk afkeer hebben ingeboezemd. Ook aan de praktijk ontleende inzichten die de status krijgen van tijdloze begin­selen zouden niet passen bij zijn waardering van de schep­pende mens.<br />
            Vanaf de jaren tachtig komt het management-denken echter meer en meer in het perspectief van de tijdelijkheid te staan. In de eerste plaats is er het verschuivende beeld van de wetenschap zelf. Zo is het rond 1960 door Kuhn naar voren gebrachte idee van de paradigmatische, niet-cumula­tieve, ontwik­keling van de wetenschap ook toegepast op het manage­ment- en organi­satie-denken<a name="_ftnref2"></a>[2]. Daarbij komt ook nog, dat men meer en meer de nadruk is gaan leggen op het niet-rationale en niet-analytische karakter van manage­ment, &#8216;wetenschap&#8217; past dan daar niet bij. Sommige auteurs gaan bij dit alles zover dat ze juist de waarde van management-modes onderstrepen. Daar­mee verschuift de aandacht voor tijdelijkheid naar, inderdaad, verganke­lijkheid. Voor de goede orde, denken in termen van paradigma&#8217;s en wijzen op de betekenis van mode is niet hetzelfde. Jaap Peters spreekt in zijn boek <em>Niets nieuws onder de zon</em> over &#8220;verouderde paradigma&#8217;s&#8221;, die er voor zorgen dat we in toenemende mate hinder krijgen van neveneffecten en verborgen effecten van het handelen in de context van die paradigma&#8217;s. De notie van &#8216;verouderd zijn&#8217; veronderstelt echter een boven de paradigma&#8217;s uitstijgend kriterium waaraan dit kan worden afgemeten. Bij mode is dat niet het geval. De mode regelt dingen die net zo goed anders kunnen zijn. Daarmee vindt zij slechts een kriterium in haarzelf.<br />
<span /><span />Nederlandse auteurs die zich recent met management-modes en verganke­lijk­heid hebben beziggehouden zijn René ten Bos en Stefan Heusinkveld. Ik doel daarbij op ten Bos&#8217; boek <em>Fashion and Utopia in Management Thinking</em> en het Heusinkveld&#8217;s artikel <em>Lof der Vergankelijkheid</em>. In beide zie ik, zonder dat de auteurs er overigens expliciet naar verwijzen, een invloed van Nietzsche. Om te beginnen enkele kanttekeningen bij de benadering van ten Bos.<br />
            Ten Bos contrasteert mode met utopie. Onder &#8216;utopie&#8217; verstaat hij een maatschappij- en organisatie-ideaal waarin voor de eigenheid van het individu geen plaats is. Er is een focus op totaliteit en uniformiteit, niets wordt verspild en het geheel wordt in stand gehouden door beheersing en controle. De wetenschappelijke rationaliteit sluit zijns inziens hier nauw bij aan. De kern van een utopische visie is dat er een einddoel is waaraan alles ondergeschikt wordt gemaakt. Eenmaal gerealiseerd, laat de utopie geen echte verandering en vernieuwing meer toe. De geschiedenis komt dan tot stilstand. De utopische benadering wil ons als het ware boven de verganke­lijkheid doen uitstijgen. Een van de voorbeelden uit de context van het management die hij bespreekt is de BPR. De mode is geheel anders. De mode kent geen einddoel, er is een eindeloze variatie en spontaneïteit, geen wil tot beheersing van het geheel, etc. Dat geldt ook voor manage­ment-modes en de goeroes die deze vertegenwoordigen. Het grote gevaar is volgens ten Bos nu dat de mode utopische trekken krijgt. Dat is wat bij veel goeroes gebeurt. Daarmee vergeet de management-mode echter haar aard als mode. Ten Bos werkt zijn ideeën o.a. uit in de sfeer van de consultan­cy. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen de &#8220;would-be&#8221; consultants, dat wil zeggen  diegenen die de utopie omarmen en de modebewuste consul­tant die hij zelf wil zijn. Het springende punt bij ten Bos is het zijns inziens kriti­sche en bevrij­dende potentieel van de mode. Dit punt doet natuurlijk wel de vraag rijzen hoe het mogelijk is dat de mode een kri­tisch potentieel kan hebben. Bovendien, in naam waarvan kan de mode kritisch zijn als zij slechts een kriterium in haarzelf vindt? Ik denk dat het antwoord is, dat ten Bos bij zijn pleidooi voor de vergankelijke modes toch uitgaat van een kriterium met een zekere bestendigheid: de wenselijk­heid een wereld met verschillen, openheid en veelkleurigheid. Hoe meer er daarvan bestaat, ook op organisa­tioneel vlak, hoe beter het is. <br />
                        Heusinkveld stelt dat de nadruk op vergankelijkheid van management-i­deeën wordt gebruikt als een list om bestaande benaderingen te onder­mijnen. Vergankelijkheid boort een bron aan voor eindeloos enthousiasme voor nieuwe ideeën. Dit enthousiasme geeft energie en kracht voor, wat hij noemt, een &#8220;concepticide&#8221;. Managers en consultants plegen een continue concepticide om te laten zien hoe innovatief zij wel niet zijn. Waar de filosoof Karl Popper nog een inhoudelijke rationele kritiek bepleitte om ervoor te zorgen dat onze theorieën sterven in plaats van wijzelf, ligt dat hier dus anders. Volgens Heusinkveld is de concepticide niet zonder gevolgen. Men vervalt steeds in dezelfde fouten, maar dan iedere keer weer onder een ander conceptueel label. Omdat dit gebeurt zal men nooit tot een cumulatie van inzicht komen. Aan de andere kant is het zo dat, als je zegt voort te willen bouwen op de inzichten van anderen, de lof van de vergankelijkheid ervoor zorgt dat je niet echt gehoor zult vinden. Verganke­lijkheid is verworden tot routine. Als met al schetst Heusinkveld dus een bijna duivels epistemisch dilemma, zonder ruimte te zien voor een mogelij­ke oplossing. Het enige dat hem rest is de constatering van, in mijn woorden, de eeuwige wederkeer van de vergankelijkheid.  <br />
<span /><span /><span />Zoals eerder is aangegeven, worden we bij het omgaan met vergankelijkheid geconfronteerd met vragen als &#8220;wat willen we behouden en wat niet?&#8221; en &#8220;welke vergankelijkheden willen we juist bevorderen?&#8221;. In iedere (professionele) praktijk, die met vergankelijkheid van doen heeft, zal op dergelijke vragen een antwoord worden gegeven in het licht van, al of niet expliciete, kriteria. Ook bij organisaties doet zich dat voor, niet alleen met betrekking tot situaties in het veld maar ook op meta-niveau. Reflec­tie op dit soort kriteria lijkt me van belang. Bij ten Bos en Heusink­veld fungeren ook kriteria voor het omgaan met vergankelijkheid op meta-niveau. Deze kunnen als volgt worden verwoord: I. streef naar een wereld met verschillen, openheid en veelkleurigheid (ten Bos); II. voeg je naar de eeuwige wederkeer van de vergankelijkheid (Heusinkveld). De kriteria kunnen ook anders worden aangeduid als respectievelijk &#8216;leve de variatie&#8217; en &#8216;het streven naar inzicht voorbij&#8217;. Zijn beide invullingen, van het kriterium hoe om te gaan met vergankelijkheid in verband met het organisatie- en management-denken, bevredigend? Voor mij niet, maar een ieder kan daar natuurlijk het zijne of het hare van vinden. Mijn bezwaar tegen deze kriteria is drieledig. Het eerste punt is dat ze zwevend blijven, waarom zouden we bijv. moeten streven naar variatie zondermeer en waarom zouden we moeten capituleren voor het sociologische &#8216;acceptatie-mechanisme&#8217; dat samenhangt met de lof der vergankelijkheid? Het tweede punt is dat beide, hoewel voortkomend uit een reflectief proces, niet echt bevorderend zijn voor het vestigen van een traditie van reflectie en onderzoek. Mijn derde punt tenslotte is dat er het risico is dat het management- en organi­satie-denken losraakt van enigerlei bedding in de praktijk. Wat mij betreft zouden we dus moeten zoeken naar andere kriteria voor hoe met vergankelijkheid om te gaan. De vraag welke dat zouden moeten zijn kan ik nu niet beantwoorden, maar ik leg deze kwestie graag voor aan alle VanWood­ma­ni­ans.         <br />
<span /><span />Frits Schipper doceert filosofie van management en organisatie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. <span lang="EN-US">E-mailadres: f.schipper@ph.vu.nl<br />
</span><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US">Literatuurverwijzingen<br />
</span><span lang="EN-US" /><span lang="EN-US">R. ten Bos, <em>             Fashion and Utopia in management Thinking</em>. Diss. Katholieke Universiteit Brabant, mei 2000.<br />
</span><span lang="EN-US">F. Fukuyama,  <em>       The End of History and the Last Man. New York/Toronto 1992.<br />
</em></span><span lang="EN-US">H. van Gunsteren,   <em>Stoppen. </em></span><em>U kunt het, U wilt het, U doet het niet</em>.  Amsterdam 2002<br />
S. Heusinkveld,       &#8220;Lof der Vergankelijkheid&#8221;. <em>Filosofie in Bedrijf</em> 14(4), 2002, p. 13-22.<br />
J. Peters,                 <em>Niets nieuws onder de zon</em>. Amsterdam/Antwerpen 2000<br />
W. Schubart,          <em>Dostojewski en Nietzsche. De symboliek van hun leven</em>. Haarlem 1941.<br />
<span /><span /><span /><span /><span /><span /><span /><strong>Bijlage: enkele kenmerkende citaten</strong><br />
<span />1. <strong>Antef-lied</strong> (11e dynastie, 2100 v Chr)<br />
<span /><em>Klacht over de vergankelijkheid</em><br />
<span />&#8220;Geschlechter vergehen,<br />
andere bleiben seit der Zeit der Vorfahren<br />
<span />Die Götter, die vordem entstanden,<br />
ruhen in ihren Pyramiden.<br />
Die Edlen und Verklärten desgleichen sind begraben in ihren Pyramiden<br />
Die Häuser bauten, ihre Stätte ist nicht mehr &#8211; was ist mit ihnen gesche­hen?<br />
<span />Ich habe die Worte gehört des Imhotep und Hordjedef,<br />
deren Sprüche in aller Munde sind.<br />
Wo sind ihre Stätten? Ihre Maurern sind verfallen,<br />
sie haben keinen Ort mehr, als hätte es sie nie gegeben.<br />
Keiner komt von dort, ihre Art zu künden, ihre Bedürfnisse zu erzählen,<br />
unser Hertz zu beruhigen bis auch wir gelangen an den Ort, dahin sie gegangen sind&#8221;.<br />
<span /><span /><strong>2. Aristoteles</strong><strong> </strong>(384-322 v Chr)<br />
<span /><em>Over de Ziel (De Anima)</em><br />
<span /><span lang="EN-US">&#8220;Concerning reason and the faculty of contemplation nothing is clear as yet. But it seems that this is another kind of soul, and that this alone may be separable [from the body], as that which is eternal from that which is perishable. But as as far as the other parts of the soul are concerned, it is evident from what we have said that they are not, as some hold, separable, although it is clear that they are distinguishable in definiti­on&#8221;.<br />
</span><span lang="EN-US" /><em><span lang="EN-US" /></em><em>Over de Hemel (De Caelo)<br />
</em><span />Aristoteles gaat spreken over een aparte soort materie waaruit de hemelli­chamen bestaan.<br />
<span /><span lang="EN-US">&#8220;The reasons why the primary body is eternal and not subject to increase and diminution, but unaging and unalterable and unmodified, will be clear from what has been said to any one who believes in our assumptions. [..] And so implying that the primary body is something else beyond earth, fire, air and water, they [men] gave the highest place a name of its own, <em>aither</em>, derived from the fact that it &#8216;runs always&#8217; for an eternity of time&#8221;.<br />
</span><span lang="EN-US" /><strong><span lang="EN-US" /></strong><strong><span lang="EN-US" /></strong><strong><span lang="EN-US">3. Epictetus (late Stoa)</span></strong><span lang="EN-US"> (ca 50-120 n Chr)<br />
</span><span lang="EN-US" /><em>Handboekje (Encheiridion)</em><br />
<span />&#8220;Zo is de dood, het ergste van alle kwaad, voor ons een niets: zolang wij leven, is hij er niet, en als hij er is, zijn wij er niet meer.&#8221;<br />
<span /><span /><span /><strong>4. Augustinus</strong> (354-430 n Chr)<br />
<span /><em>Belijdenissen (Confessiones)</em><br />
<span />&#8220;O God der heirscharen, bekeer ons en toon ons Uw aanschijn zo zullen wij behouden zijn. Want waarheen ook de ziel des mensen zich wendt, hecht ze zich aan smarten elders, behalve in U, ook al hecht ze zich aan schone dingen buiten U en buiten U zichzelf. En toch zouden die er niet zijn, als ze er niet waren van U. Zij ontstaan en vergaan, en in het ontstaan begint als het ware hun zijn en zij groeien om voltooid te worden, maar als ze voltooid zijn, worden zij oud en vergaan: maar niet allen worden oud, maar wel vergaan allen. Dus wanneer ze ontstaan en er naar streven om te zijn, hoe sneller ze groeien om te zijn, des te meer haasten ze zich om niet te zijn. Zo is hun wijze. [...] Maar oneindig veel beter is hij, die het geheel gemaakt heeft, [..] Hij verdwijnt niet omdat er niets is, dat hem opvolgt.&#8221;<br />
<span /><span /><strong>5. Diderot</strong> (1713-1784)<br />
<span /><em>Vorländer Geschichte der Philosophie</em><br />
<span />&#8220;Es gibt nur ein einziges grosses Individuum, das Weltall. Das Gehirn, ja die ganze Welt ist ein sich selbst spielendes Klavier. Die Natur bedarf keines persönlichen Gottes, ebensowenig wie der Mensch einer anderen Unsterblichkeit als des Fortlebens im Nachrum.&#8221;<br />
<span /><span /><strong><span /></strong><strong>6. Hegel</strong> (1770-1831)<br />
<span /><em>Encyclopedie der Philosophischen Wissenschaften</em><br />
<span />&#8220;Der absolute Geist ist ebenso ewig in sich seiende als in sich zurückeh­rende und zurückgekehrte Identität&#8221;.<br />
<span /><em><span /></em><em>Die Vernunft in der Geschichte</em><br />
<span />&#8220;Das Vernünftige is das an und für sich Seiende, wodurch alles seinen Wert hat [..] Dass in der Begebenheiten der Völker ein letzter Zweck das Herschende, dass Vernunft in der Weltgeschichte ist [..] ist eine Wahrheit die wir voraussetzen; ihr Beweis ist die Abhandlung der Weltgeschichte selbst: sie ist Bild und Tat der Vernunft&#8221;.           <br />
<strong><span /></strong><strong><span /></strong><strong>7. Kierkegaard</strong> (1813-1855)<br />
<em><span /></em><em>De Herhaling</em>                                                  <br />
<span />&#8220;De dialectiek van de herhaling in eenvoudig; want wat zich herhaalt is geweest, zoniet zou het zich niet kunnen herhalen, maar juist het feit dat het geweest is, maakt de herhaling tot iets nieuws. [..] Als men de denkvorm der herinnering of der herhaling niet bezit, dan lost het hele leven zich op in een ledig en waardeloos geraas&#8221;.<br />
<span /><span /><strong>7. Nietzsche</strong> (1844-1900)<br />
<span /><em>Also sprach Zarathustra</em><br />
<span />&#8220;Böse heisse ich&#8217;s und menschenfeindlich: all dies Lehren vom Einen und Vollen und Unbewegten und Satten und Unvergänglichen.<br />
Alles Unvergangliche &#8211; das ist nur ein Gleichnis! Un die Dichter lügen zu viel.-<br />
Aber von Zeit und Werden sollen die besten Gleichnisse reden: ein Lob sollen sie sein und eine Rechtfertigung aller Vergänglichkeit!<br />
Schaffen &#8211; das ist die grosse Erlösung vom Leiden, und des Lebens Leicht­werden. Aber das der Schaffende sei, dazu selber tut Leid not und viel Verwandelung.<br />
Ja, viel bitteres Sterben muss in eurem Leben sein, ihr Schaffenden! Also seid ihr Fürsprecher und Rechtfertiger aller Vergänglichkeit&#8221;.<br />
<span /><em>Zu Zarathustra</em><br />
<span />&#8220;Hüten wir uns zu glauben, dass das All eine Tendenz habe, gewisse formen zu erreichen, dass es schöner, vollkommener, komplizierter werden wolle! Dass is alles Vermenschung [..]<br />
Es ist alles wiedergekommen: des Sirius und die Spinne und deine Gedanken in dieser Stunde und dieser dein Gedan­ke, dass alles wiederkommt&#8221;.</p>
<div><br clear="all" /><br />
<hr align="left" width="33%" size="1" /> </p>
<div id="ftn1"><a name="_ftn1"></a><font face="Courier New">1. Die vergankelijkheid gaat tegelijkertijd gepaard met meer duurzame wetmatigheden. De natuurwetenschappen pogen die o.a. te onderkennen. </font></div>
<div id="ftn2"><a name="_ftn2"></a><font face="Courier New">    <span lang="EN-US"><span lang="EN-US">[2]</span></span>Of deze toepassing terecht is en geen breuk met wat Kuhn eigenlijk wilde zeggen valt buiten het kader van dit stuk.</font></div>
</div>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2003/05/23/omgaan-met-vergankelijkheid-frits-schipper/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>2002 &#8211; De ambivalentie van het kwaadaardige &#8211; Joep Schrijvers</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2002/05/25/2002-de-ambivalentie-van-het-kwaadaardige-joep-schrijvers/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2002/05/25/2002-de-ambivalentie-van-het-kwaadaardige-joep-schrijvers/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 25 May 2002 20:42:12 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Lezingen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2002/05/25/2002-de-ambivalentie-van-het-kwaadaardige-joep-schrijvers/</guid>
		<description><![CDATA[De gevarenzone 
Stelt u voor. Een museum. Moderne kunst. Midden in de grote witte zaal staat slechts één schilderij. U loopt er naar toe en ziet twee figuren. Mansgroot. Van beide figuren zijn de hoofden uitgesneden. Het is duidelijk. Hier kunt u uw hoofd doorheen steken. De fotocamera die erbij hangt, is hierin ook ondubbelzinnig. U [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">De gevarenzone</span></strong><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span>Stelt u voor. Een museum. Moderne kunst. Midden in de grote witte zaal staat slechts één schilderij. U loopt er naar toe en ziet twee figuren. Mansgroot. Van beide figuren zijn de hoofden uitgesneden. Het is duidelijk. Hier kunt u uw hoofd doorheen steken. De fotocamera die erbij hangt, is hierin ook ondubbelzinnig. U voelt zich hoogst ongemakkelijk, geprovoceerd, verontwaardigd en beledigd. De twee figuren zijn Hitler en een gevangene van Birkenau. Dader en slachtoffer in één beeld. En u mag zelf uw identificatie kiezen: Beul of Gehangene. Als u wilt, kunt u zich laten vereeuwigen.</span></p>
<p><span id="more-36"></span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Een zieke performance? Zeer zeker. Die tot heftige afwijzingen in de media zou leiden? Uiteraard. Tot aangifte vanwege aanzet tot haat? Ongetwijfeld. Laat ik u gerust stellen. In dit museum zult u dit schilderij niet vinden. Om tot zulke heftige emoties te komen moet u het vliegtuig nemen en naar New York gaan. Daar zult u kunst vinden die wél provoceert, die wél verwart, die wél tot heftige debatten leidt en zelfs tot picketlines en boycots.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Daar zijn objecten, fotomontages, installaties te vinden, die de toeschouwer brengen naar de gevarenzone van zijn denken, zijn moraal en zijn verbeelding. De zône, die de rollen van deelnemer en toeschouwer vermengt, de heldere grenzen van goed en fout vervaagt en het luie en brave denken danig op de proef stelt. Hier vindt men de kunst die op ambivalente wijze het ambigue van macht, geweld en vernedering aan de orde stelt.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Gelukkig, zou ik bijna willen verzuchten, eindelijk. Want als we ergens van vervreemd zijn geraakt dan is het wel van de ambivalentie van de macht, het geweld en het sadisme. We zijn in ons denken te ver verbraafd. Maar godzijdank wordt deze verbraving inmiddels op diverse maatschappelijke gebieden aan de orde gesteld en als kwaal serieus genomen. In Nederland was daar wel een politieke moord voor nodig.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt"><font face="Times New Roman">  </font></span></p>
<p><strong><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">De verspreiding van het probleem</span></strong><strong><span style="font-size: 11pt"> </span></strong></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">De verbraving is wijd verspreid. We zien haar bijvoorbeeld terug in de kitscherigheid van vele moderne theorieën over management en organisatieveranderingen. Wat vroeger ‘naaien was, heet tegenwoordig ‘interveniëren’, en ‘slijmen’ moet men vooral ‘inspireren’ noemen. Managers, hun consultants en goeroes hebben een vocabulaire geconstrueerd waarmee zij de ambivalentie van hun doen en laten niet meer kunnen waarnemen.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">In verband hiermee wil ik ook een onderzoek noemen van Duyvendak, waarin hij het bloedeloze taalgebruik in beleidsnota’s aan de kaak stelt. Hij schaart zich daarmee in het koor van commentatoren die stellen dat politieke problemen van hun ongemakkelijke en schurende karakter zijn ontdaan door het gebruik van emotieloze en bloedeloze taal. Hierdoor horen gewone burgers niet meer het existentiële en het schrijnende van hun ervaringen, de ambivalentie van hun problemen. Zij nemen dan hun toevlucht tot De Volksmond.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Ook in het grote sociale vraagstuk van deze tijd, de multiculturele samenleving, hebben we een vergelijkbaar verbravingsproces gezien. De linksliberale verbraafde intelligentsia bepaalde tot voor kort het vocabulaire waarmee problemen verwoord mochten worden en claimden het alleenrecht op het vermogen het juiste onderscheid tussen goed en fout te mogen maken. De komst van allochtonen moest vooral worden gezien als een voor de Nederlandse samenleving weldadige gebeurtenis. Dat de Volksmond hiermee niet uit de voeten kon, bleek wel uit de ambigue termen die zij ging gebruiken als ‘kutmarokkaantjes’, ‘geitenneukers’ en ‘Allahjugend’. Deze politieke correctheid is inmiddels tot stoppen gebracht door de Scheffers, Theo van Goghen en Fortuynen van onze tijd en als probleem onderkend.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Zowel in de professionele disciplines, als tot voor kort in de politiek, werd en wordt teveel en te vaak ‘braaftaal’ gesproken. Braaftaal is het gedistantieerde taalgebruik om problemen van sociale aard te verwoorden vanuit het standpunt van morele superioriteit met neutraal technische termen waardoor elke ambivalentie van morele en politieke aard buiten de orde is geplaatst. Met die taal sluiten we onszelf op in een 55plus-recreatiebungalowpark, achter een slagboom, in de Achterhoek van ons denken, ver weg van het kwaadaardige. Hierdoor kunnen we onze alledaagse ervaring die ambivalent is en vol duisternis, moeilijk verwoorden en amper begrijpen.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt"><font face="Times New Roman">  </font></span></p>
<p><strong><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Waar is het gevaarlijk?</span></strong><strong><span style="font-size: 11pt"> </span></strong></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Het moge duidelijk zijn dat ik een pleidooi houd om het gevaar weer op te zoeken. De vraag is dan waar deze te vinden is. Zo eenvoudig is dat niet.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><em><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Seks en religie</span></em><em><span style="font-size: 11pt"> </span></em></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Velen neigen ertoe om terug te keren naar het voormalige gevaar, het provocerende en verontrustende van decennia terug: de seks en de religie. Zo was ik laatst in een standup comedian club, waar een paar Amerikanen ons provocerende grappen vertelden over Jezus aan het kruis, afgewisseld met moppen over seks. Waarschijnlijk prikkelend voor een gemiddelde Amerikaan maar voor een gemiddelde Nederlander saai en slaapverwekkend. Dames en heren, seks is niet gevarenzone. Beeldjes van een neukende kunstenaar met zijn vrouw, beeldjes van Jeff Koons, zijn niet gevaarlijk, hooguit grappig. Ook in het christendom treft u de gevarenzone niet meer aan. Daar is weinig te provoceren, taboes te doorbreken, ambivalentie te vinden. Of hetzelfde geldt voor de Islam, daarvan ben ik niet zeker. Wie het christendom een achterlijke godsdienst noemt, zal weinig beroering oproepen, wie een negatieve inhoudelijke evaluatie van de Islam geeft, zal het zwaarder te verduren krijgen.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><em><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Pretparkisme</span></em><em><span style="font-size: 11pt"> </span></em></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Anderen menen dat de gevarenzone te vinden is in de opwinding van de grote stad. Zij zoeken de spanningen op die geen of nauwelijks risico’s met zich meebrengen. Deze mensen verwarren de gevarenzone met een pretpark.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">U kent ze wel, die liefhebbers van loopings, de bungeejumps, en de wildwater rivieren. De tienduizenden mannen en jongens die zich virtueel bevredigen met gewelddadige games. U kent ze wel: al die mannen en vrouwen die in kittige laarsjes en met een leren petje op hun kop, elkaar op de vele trashparties gezellig afzwepen, liefdevol vernederen en cocreërend onderschijten om vervolgens in een sfeervolle relaxruimte een kopje kruidenthee te drinken. Kitsch dames en heren. Dit is kitsch.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Ook de organisatiekunde kent haar trashparties, haar pseudo-uitdagingen, haar kitsch. En die liggen vooral op het gebied van ondernemerschap. De laatste jaren hebben vele medewerkers het dogma van het eigen ondernemerschap omarmd en omhelst. Het hele vocabulaire van ‘mission statements’, van ‘elevatorspeeches’, van ‘resultaatsverantwoordelijkheid’ werd doorgeakkerd. Hoe kitscherig dat was, blijkt nu wel, nu de economie terugloopt en deze mensen zich meer dan ooit als een calculerende werknemer opstellen om zichzelf zo goed mogelijk een ‘shelter’ te verschaffen. Van het ware ondernemerschap, namelijk dat je iets doet voor eigen rekening en risico is weinig over. Hier vinden we de pseudo-gevarenzone van de aardappel-anders leefcultuur.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><em><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">De gevarenzone</span></em><em><span style="font-size: 11pt"> </span></em></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">In New York is wat anders aan de hand. In het Jewish Museum vinden we wèl de echte gevarenzone, die zonder moed niet te betreden is. Daar is de vermenging van dader en slachtoffer, de identificatie met het kwaadaardige, de verontrusting van het ambivalente wel opgezocht. Ik heb het over de tentoonstelling <em>Mirroring Evil</em>. Hierin exposeren dertien jonge kunstenaars met werken waarin zij het nazidom en de Holocaust opnieuw verbeelden. Het schokkende is dat zij afstand nemen van een ondubbelzinnig slachtofferschap. Zij onderzoeken in hun werk op welke wijze en in welke mate het slachtofferschap van de naziterreur nog steeds hun denken onbewust en bewust beïnvloedt en wat daar de grenzen van zijn. Ze zoeken willens en wetens de ambivalentie van het kwaad op door de toeschouwer te identificeren met de daders.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">De Poolse kunstenaar Libera heeft legodozen gemaakt waarmee je een concentratiekamp kunt maken. Je kunt de onschuldige bouwsteentjes volgens plan gebruiken om je eigen vernietigingskamp te bouwen. Alleen wanneer je je identificeert met de rol van dader, kun je de bedoeling realiseren. Je wordt je bewust van het gevaarlijke van deze identificatie, van de duistere kanten bij anderen en bij jezelf. Een ander kunstwerk is een fotomontage, waarbij de kunstenaar Alan Schechner een portret van zichzelf met een blikje Diet Coke heeft gemonteerd in een foto van uitgemergelde, joodse gevangenen in een barak van Buchenwald. Een foto, die mij twee gevoelens opriep. De eerste voelt u nu waarschijnlijk ook: verontwaardiging. Hoe haal je het in je hoofd om met zulke terreur te spotten en de slachtoffers voor de tweede keer te onteren. De tweede emotie was fascinatie. Stel dat deze kunstenaar te goeder trouw is en geen openlijke of heimelijke intentie heeft om wie dan ook te oneerbiedigen, dat deze kunstenaar ‘bottom line’ aan de goede kant staat, wat zegt zo’n foto ons? Volgens mij niets anders dan dat de grens tussen eerbiediging en oneerbiediging, tussen dader en slachtoffer, tussen goed en fout, opnieuw bepaald moet worden. En dat is ook wat volgens de organisator Kleebatt, de achtergrond van deze tentoonstelling is.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">In Nederland kennen we de schilder Ophuis. Ook hij aarzelt niet om ons met zijn schilderijen in de gevarenzone te trekken. Titels van zijn werken als ‘Miskraam’, Birkenau, getuigen daar van. In een van zijn werken beeldt hij in een barak van een concentratiekamp een mannelijke gevangene af die een vrouwelijke gevangene verkracht. Dit beeld vond ik schokkend. De reden is weer dezelfde. Ook hier wordt het kwaadaardige ambivalent gemaakt. In ons denken zijn deze gevangenen uitsluitend slachtoffer van gewelddadige en totalitaire terreur, in het schilderij worden zij tegelijkertijd weer tot dader gemaakt. Het is alsof Ophuis ons onverbloemd wil zeggen dat de grens tussen goed en kwaad niet zo helder is als we denken, dat de combinatie slachtoffer/heilige niet vanzelfsprekend is.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt"><font face="Times New Roman">  </font></span></p>
<p><strong><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Het gevaar van verbraving</span></strong><strong><span style="font-size: 11pt"> </span></strong></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">U merkt, dat mijn gesproken essay geen lichtvoetig verhaal over de relatie van kennis en kunst wordt. Integendeel ik zoek de zwarte kant op. De reden is dat naar mijn stellige overtuiging het trauma van Auschwitz nog steeds diep in ons denken en in onze moraal verankerd ligt. Laat ik hierover geen misverstanden ontstaan: ik vind dat terecht. Onder het asfalt ligt niet het strand zoals mijn oudere broers in de jaren zestig dachten maar de knoken van een bloedige Europa. Onze samenleving is gebouwd op de fundamenten van terreur. Voor ons denken zijn niet de wenkende perspectieven van een ideale mensheid baken en teken, maar nog steeds de verschrikkingen van 60 jaar geleden. Wat ik echter niet terecht vind is dat de verbeelding van het verleden verstart en iconiseert. De verbraving in de managementtheorie, de verstikkende correctheid in de politiek die sinds kort is afgeschaft, de eufemismen in de beleidstaal, het moreel schematische denken van linksliberaal Nederland, de permanente verwijzing in de debatten naar het nazisme, zijn van deze verstarring de uitingen. Willen we echter meer begrijpen van de duistere kanten van onze ziel, de gevaren van het fanatisme, de dehumanisering in bedrijven, de drenzende angst in de cultuur, dan ontkomen we niet aan verontrustende doorkijkjes op onze werkelijkheid, zoals de dertien kunstenaars in New York die hebben gemaakt en zoals de Nederlandse schilder Ophuis die in zijn werk heeft ontwikkeld.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt"><font face="Times New Roman">  </font></span></p>
<p><strong><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Het procédé</span></strong><strong><span style="font-size: 11pt"> </span></strong></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Hoe doen die kunstenaars dat eigenlijk? Hoe doen de denkers het? Wat is het procédé waarmee zij de ambivalentie opnieuw aan de orde stellen. Zover ik kan overzien, kenmerkt het procédé zich door het combineren van ver van elkaar verwijderde registers, metaforen, vocabulaires en beelden. Zo mengt de filosoof Loek Schönbeck in zijn boek <em>Een oneerbiedige wijsbegeerte van het management</em> klassiek filosofisch terminologie met woorden uit de volksmond. Hij spreekt over de manager als lummel, als pummel en als hufter. Met dit procédé verkrijgt de lezer een doorkijkje op organisaties die hij niet gekregen zou hebben met de brave taal van managementtheorieën. Hetzelfde horen we terug in de essays van Jaap Peters waarin hij moderne bedrijven met de varkenssector vergelijkt en spreekt over de <em>intensieve menshouderij </em>spreekt. We zien hetzelfde procédé terug bij de <em>Legodozen</em>. De commerciële beeldtaal van een advertentie en de beeldtaal van de verschrikkingen van de nazi’s worden gecombineerd. Deze mensen mengen braafheid met kwaadaardigheid, waardoor we niet goed meer weten wat we moeten vinden. Dit combinatieprocédé roept de ambivalentie op.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Het proces van ontbraven is niet zonder gevaar. Je kunt niet zonder meer het kwaadaardige tegemoet treden. Zelfs Dante had een gids nodig, toen hij afdaalde in de hellen van de onderwereld. We hebben een schild van bescherming nodig. De filosoof Nietzsche zag dit schild in heldere concepten en in gedistantieerde reflectie. Hij noemde dat in zijn boek over de geboorte van de tragedie het Apollinische aspect van de cultuur. U begrijpt dat mij dit aanspreekt. De roes van geweld, de wellust van fanatisme, het genot van vernedering en de geilheid van morele arrogantie is verrukkelijk en overweldigend. En daarom zo gevaarlijk. Maar godzijdank kan de roes en wellust op gezette momenten onderbroken worden door ontnuchterende analyses. En dat moet ook op straffe van gek en gewelddadig worden. Toch is ook deze analytische benadering mij niet veilig genoeg. Soms moet het kwaadaardige en gewelddadige voor ons denken verder onschadelijk gemaakt, zodat we er met enige afstand naar kunnen kijken. Het beste wapen is traditiegetrouw de ironie, de zelfspot en de humor, ook al is hij zwartgallig. Mijn pleidooi voor de terugkeer van het ambivalente houdt ook een pleidooi in voor de humor die overdrijft en grotesk maakt en daardoor neutraliseert.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Dit gebruik van de veiligheidsmaatregelen maakt ook het verschil uit tussen een sensationele trivialisering van het kwaadaardige en een integere authentieke verbeelding ervan. Want de kunstenaar, de denker, de professional die het kwaadaardige verbeeldt, zal altijd de verdenking op zich laden, dat hij zich door sensationele en banale motieven laat leiden. Maar wie duidelijk maakt, dat hij in zijn werk afstand neemt van de duistere kanten door het hanteren van vervreemdingstechnieken, kan aantonen dat hij zich bewust is van de vele dimensies die aan het kwaadaardige kleven. Zo’n persoon shockeert wel maar trivialiseert en ontheiligt uiteindelijk niet.</span><span style="font-size: 11pt"> </span></p>
<p><span style="font-size: 11pt"><font face="Times New Roman">  </font></span></p>
<p><strong><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Tot slot</span></strong><strong><span style="font-size: 11pt"> </span></strong></p>
<p><span style="font-size: 11pt; font-family: Arial">Tot slot. De relatie kennis en kunst in de wereld van organisatieadviseurs en opleiders wordt meestal gezocht in het creatieve. Kunstenaars zouden creatief zijn en over technieken beschikken die managers en adviseurs ter harte zouden moeten gaan. De ontmoeting van kennis, organisatie en kunst ligt dan vaak op het gebied van het vernieuwende, het verbeeldende, het innoverende. U begrijpt uit mijn verhaal, dat ik een hele andere relatie heb gelegd tussen de kunstenaar, de opleider en de manager. Het gaat erom, dat we opnieuw met elkaar de gevarenzone betreden, dat we de ambivalentie van het gewelddadige, het manipulerende, het sadistische en het destructieve weer op het spoor komen. Alleen dan zullen we beseffen dat we vergeten zijn dat we niet alleen mensen vol goede bedoelingen zijn, maar ook wezens vol broeierige, duistere en gewelddadige driften.</span></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2002/05/25/2002-de-ambivalentie-van-het-kwaadaardige-joep-schrijvers/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

