<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>vanwoodman &#187; Artikelen</title>
	<atom:link href="http://www.vanwoodman.com/www/category/artikelen/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.vanwoodman.com/www</link>
	<description>Just another WordPress weblog</description>
	<lastBuildDate>Mon, 06 Dec 2010 09:50:27 +0000</lastBuildDate>
	<generator>http://wordpress.org/?v=2.8.5</generator>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
			<item>
		<title>Het vakmanschap dat telt &#8211; Jacco van Hoorn</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2009/06/16/het-vakmanschap-dat-telt-jacco-van-hoorn/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2009/06/16/het-vakmanschap-dat-telt-jacco-van-hoorn/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 16 Jun 2009 08:19:48 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Bedrijfsbezoeken]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2009/06/16/het-vakmanschap-dat-telt-jacco-van-hoorn/</guid>
		<description><![CDATA[Jaco van Hoorn is districtschef bij de politiekorps Holland-Midden. Op 6 juni jl. verscheen in de Volkskrant een kort interview over zijn kijk op vakmanschap en het tellen van prestaties. Jaco hanteert als motto dat de essentie van het politiewerk ligt in de Ontmoeting met de Burger en zit daarmee als politievakman/manager klem tussen twee [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Jaco van Hoorn is districtschef bij de politiekorps Holland-Midden. Op 6 juni jl. verscheen in de Volkskrant een kort interview over zijn kijk op vakmanschap en het tellen van prestaties. Jaco hanteert als motto dat de essentie van het politiewerk ligt in de Ontmoeting met de Burger en zit daarmee als politievakman/manager klem tussen twee beelden van werkelijkheid: de cijfermatige en de reele werkelijkheid op straat. Lees hier wat hij daarover te zeggen heeft: <a href="http://www.vanwoodman.com/www/wp-content/jaco-van-hoorn-vakmanschap-en-cijfercultuur-6-juni-09.pdf" title="Interview Jaco van Hoorn"><strong>Interview Jaco van Hoorn</strong></a></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2009/06/16/het-vakmanschap-dat-telt-jacco-van-hoorn/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>3</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Het Appèl van Antwerpen &#8211; Trouw, 4 maart 2009</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2009/03/05/het-appel-van-antwerpen-trouw-4-maart-2009/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2009/03/05/het-appel-van-antwerpen-trouw-4-maart-2009/#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 05 Mar 2009 09:13:56 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2009/03/05/het-appel-van-antwerpen-trouw-4-maart-2009/</guid>
		<description><![CDATA[De drie crises – economisch, ecologisch, sociaal – vragen om fundamentele keuzes: voor een duurzame en sociale samenleving. Daar kan iedereen bij helpen.
Als bezorgde wetenschappers, ecologische economen en andere experts kwamen wij in januari in Antwerpen bijeen en formuleerden daar een reeks radicale oplossingen voor de huidige crises. Wij beseffen dat de economische, de sociale [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>De drie crises – economisch, ecologisch, sociaal – vragen om fundamentele keuzes: voor een duurzame en sociale samenleving. Daar kan iedereen bij helpen.<br />
Als bezorgde wetenschappers, ecologische economen en andere experts kwamen wij in januari in Antwerpen bijeen en formuleerden daar een reeks radicale oplossingen voor de huidige crises. Wij beseffen dat de economische, de sociale en de ecologische crises samenvallen. Samen roepen wij op om juist nu de fundamenten van een duurzame en solidaire samenleving te leggen. Een appèl in drievoud.</strong></p>
<p><strong><span id="more-235"></span></strong></p>
<p><strong><em>1 Er is een nieuw samenlevingsberaad nodig, met sociale partners, milieu-, vredes- en ontwikkelingsorganisaties, vrouwen, jongeren, wetenschappers en migranten.</em></strong><br />
Elke economische crisis kenmerkt zich door een daling in uitgaven. De economen die ons met deze crisis opzadelden willen zo snel mogelijk de consumptiepatronen in de economie herstellen door een massieve steunverlening aan de industrie.<br />
Dat is een rampzalige koers die het feit negeert dat de situatie vandaag fundamenteel anders is dan bij vorige crises. Samen met de economische crisis ontplooit zich een nooit geziene energiecrisis, voedselcrisis, klimaatcrisis en expansie van armoede en sociale ongelijkheid.<br />
Een fundamentele bezinning is nodig over welke keuzes nu mogelijk en nodig zijn, in plaats van automatisch de weg van nog meer milieu verwoestende en ongelijkheid bevorderende materiële consumptie in te slaan. Wij bepleiten keuzes gericht op een duurzame, solidaire en vreedzame samenleving.<br />
<strong><em>2 Toets en vervang waar nodig het bestaand beleidsinstrumentarium met nieuwe instrumenten ten aanzien van een reeks speerpunten – fiscaal, monetair, openbare bestedingen – om de noodzakelijke koerswending naar een meer duurzame en solidaire economie te ondersteunen, uit te werken en te begeleiden. Maak een urgentieprogramma dat uitdrukking is van een strategie om op korte én lange termijn antwoorden te geven op de financieel-economische, ecologische en sociale crises van vandaag.</em></strong><br />
Vaak worden de eisen van wereldwijde gerechtigheid en van behoud van natuur en milieu tegenover elkaar gesteld en tegen elkaar uitgespeeld. Maar juist nu komen ze meer dan ooit samen. Mondiale bestedingsimpulsen moeten prioriteit geven aan versterking van de inkomens van de armsten. Dit kan bijvoorbeeld door schuldkwijtschelding. En ook door af te zien van een eenzijdige nadruk op exportgeleide ontwikkeling, of door mondiale instellingen die wereldwijd en op korte termijn bestaanszekerheid garanderen.<br />
Zo’n solidaire bestedingsimpuls kan ook bijdragen aan een noodzakelijke herverdeling van het wereldinkomen. Zij kan bovendien uitstekend samengaan met een bewuste en doelgerichte verlegging van de bestedingspatronen in de rijkere landen. Minder materiële en energie verslindende consumptie ten voordele van investeringen in het sociale, humane en natuurlijke samenlevingskapitaal.<br />
<strong><em>3 Een gedurfde beleidsinzet op elk niveau waarbij terughoudendheid ten aanzien van de materiële consumptiegroei gepaard gaat met gedurfde plannen voor een hernieuwde technologische inzet ten bate van zowel solidariteit als duurzaamheid.</em></strong><br />
Tot op heden blijft er een in de discussie verwaarloosd aspect: de fundamentele herziening van onze bestaande economische orde en internationaal geldstelsel. Deze laat duidelijk een overmaat van vrijheid toe aan kredietschepping en speculatieve hoogstandjes voor particuliere banken. Iedereen weet ondertussen dat dit één van de voornaamste oorzaken van de huidige crisis is, maar bijna niemand komt met alternatieven.<br />
Echte regulering van de banksector moet drastisch zijn. Maxima voor de jaarlijkse kredietgroei in verhouding tot de reële groei van de economie. Duurzame en wettelijk opgelegde criteria voor financiële producten. Het zijn maar enkele voorbeelden. Even belangrijk is een structuurverandering ten aanzien van de gerichtheid van de technologische ontwikkeling.<br />
We zullen af moeten van de wrange vanzelfsprekendheid waarmee die vrijwel uitsluitend wordt ingezet om de productiviteit per werkende in de marktsector te vergroten. Want daardoor stort zelfs een geringe verflauwing van de particuliere bestedingen ons in een situatie van toenemende werkloosheid. De technologie moet van die eenzijdige dienstbaarheid verlost worden door ze in de eerste plaats aan te wenden voor ecologisch behoud en de groei in de richting van meer duurzaamheid.</p>
<p>4 maart 2009<br />
Bob Goudzwaard, Leida Rijnhout, en Lou Keune, respectievelijk emeritus hoogleraar VU; coördinator Vlaams Overleg Duurzaam Ontwikkeling; onderzoeker universiteit Tilburg<br />
© Trouw 2009</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2009/03/05/het-appel-van-antwerpen-trouw-4-maart-2009/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Toespraak Yves Leterme tijdens Nieuwspoort-diner: RIJNLAND MODEL</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2009/02/24/toespraak-yves-leterme-tijdens-nieuwspoort-diner-rijnland-model/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2009/02/24/toespraak-yves-leterme-tijdens-nieuwspoort-diner-rijnland-model/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 24 Feb 2009 15:13:34 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>
		<category><![CDATA[Conferenties]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2009/02/24/toespraak-yves-leterme-tijdens-nieuwspoort-diner-rijnland-model/</guid>
		<description><![CDATA[Op 26 november 2008 hield de voormalig Eerste Minister van Belgie Yves Leterme een vurig betoog voor het Rijnland Model. De toespraak getuigt van grote toewijding en kennis van de ontstaansgeschiedenis van het kapitalistisch alternatief. Hieronder vindt u een onverkorte weergave van de toespraak.

26-11-2008, Den Haag
Het is mij een eer en een genoegen om op dit Nieuwspoortdiner [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Op 26 november 2008 hield de voormalig <strong>Eerste Minister van Belgie</strong> <strong>Yves Leterme</strong> een vurig betoog voor het Rijnland Model. De toespraak getuigt van grote toewijding en kennis van de ontstaansgeschiedenis van het kapitalistisch alternatief. Hieronder vindt u een onverkorte weergave van de toespraak.</p>
<p><span id="more-226"></span></p>
<p>26-11-2008, Den Haag<br />
Het is mij een eer en een genoegen om op dit Nieuwspoortdiner het woord te nemen en uw gezelschap toe te spreken. In het bijzonder dank ik minister-president Balkenende voor de vriendelijke woorden aan mijn adres. U zult hebben gemerkt, dames en heren, dat de goede relaties tussen de Nederlandse minister-president en mij meer zijn dan de gebruikelijke vriendelijkheid en het goede nabuurschap van bevriende buurlanden. U kunt ons bevriende premiers noemen. Er is immers heel wat dat ons bindt.<br />
Alvast de zakelijke stijl en de no-nonsense aanpak. Naast de blackberry ligt op onze regeringstafels de rekenmachine. Zuinig bestuur is immers goed bestuur. Die zakelijkheid en zuinigheid die we gemeen hebben, zijn evenwel gestoeld op een verantwoordelijkheidsgevoel. Ook dat delen wij. In het centrum van dat verantwoordelijkheidsbesef staat bij ons beiden de zorg om de mens, de hele mens. Dat is trouwens de kern van het christendemocratisch gedachtegoed dat minister-president Balkenende en ik delen.</p>
<p>Zuinig bestuur, verantwoordelijkheid en zorg voor de mens zijn uitgangspunten waaruit christendemocraten ook de economie benaderen. Ter wille van de mens en uit verantwoordelijkheid voor de toekomst menen wij dat de staat in het economisch verhaal zuinig aanwezig moet zijn, zuinig maar wel aanwezig. Politiek is immers dienstbaarheid, ze staat ten dienste van de mensen.</p>
<p>Een Duitse krant herinnerde onlangs aan de uitspraak die een bekende ondernemer een half jaar geleden deed. Deze had toen gezegd dat hij maar één wens had ten opzichte van de staat: “Staat, je staat in mijn zon; ga asjeblieft weg!” De krant voegde er fijntjes aan toe dat die zelfde ondernemer vandaag een van de vurigste pleitbezorgers is van staatshulp voor het schipbreuklijdende financiële systeem. Het kan verkeren.</p>
<p>In welke mate de staat een rol kan spelen en in hoeverre dat nuttig en bevorderlijk of ongunstig en remmend is voor de economie, is een van de zaken waar het Rijnlandmodel, het economische model dat westelijk Europa groot heeft gemaakt, zich mee bezighoudt.</p>
<p>Er zijn verschillende systemen denkbaar om economie en samenleving te organiseren. Na het verdwijnen van de communistische Planeconomie (eind van de jaren tachtig), bleven er nog drie modellen over:<br />
- het Angelsaksische model van vrije markteconomie;<br />
- het Chinese centraal geleide kapitalistische ontwikkelingsmodel (bij uitbreiding het Aziatische model);<br />
- het Rijnlandmodel van sociale markteconomie.</p>
<p>Nogal wat economisten bij ons waren koele minnaars geworden van dit Rijnlandmodel. Ze waren ervan overtuigd dat in het licht van de globalisering alleen het neoliberale Angelsaksische model van lage belastingen, geringe regelgeving en een gekortwiekte overheid voor economische wonderen kon zorgen. Deregulering werd het parool, niet alleen in de Verenigde Staten maar ook in de Europese Unie. Of zoals de die Duitse ondernemer zei: “Staat, je staat in de weg, ga uit mijn zon!”</p>
<p>De jongste maanden heeft het neoliberalisme evenwel zijn zwakheid getoond. Zelfs Francis Fukuyama zegt vandaag dat het neoliberale kapitalisme is ontspoord, omdat het “niet langer een pragmatische reactie was op de uitwassen van de welvaartsstaat, maar een ideologie was geworden”. Het neoliberale marktmodel ging ervan uit dat de marktdeelnemers, gestuurd door correcte informatie van onder andere de zogenaamde Rating Agencies, altijd rationeel zouden handelen (de ‘rational choice’ was onbetwistbaar). De huidige financiële crisis wijst uit dat de markt niet alleen rationeel maar ook zeer gevoelsmatig reageert. De grenzen van de ‘rational choice’ zijn aangetoond.</p>
<p>En Azië dan? Dat China zijn historische plaats van eeuwen geleden in de wereldeconomie opnieuw inneemt, is niet iets wat me moeten betreuren, integendeel. Daarmee moet het Chinese, bij uitbreiding Aziatische, model van autoritaire staat en laissez-faire-kapitalisme nog niet geprezen worden. Ik stel echter vast dat sommige organisatieadviseurs, zoals McKinsey en Boston Consulting Group, vol lof zijn over de Chinese hybride ondernemingen, half privé half overheid.</p>
<p>Die reusachtige bedrijven, met een minderheidsnotering op de beurs, zijn inderdaad erg competitief. Het Chinese model heeft groeisnelheid bewezen, maar ook weinig welzijnscapaciteit. In China ontstaat een welgestelde middenklasse, maar tegelijkertijd werken vele miljoenen arbeiders in mensonwaardige arbeidsomstandigheden; hun familie- en gemeenschapsleven en hun woonomgeving worden zonder omzien gesloopt. De aanslag op milieu en grondstoffen is nooit gezien.</p>
<p>Wij moeten er ons bovendien zorgen over maken dat in China economisch kapitalisme kan samengaan met politieke partijdictatuur. Gingen wij niet uit van de noodzakelijke en vanzelfsprekende samenhang van een vrije niet door de staat gedirigeerde (sociale) markteconomie en een democratische staatsvorm van de rechtsstaat? Geen democratie zonder vrije economie, maar ook geen vrije economie zonder democratie. Maar China combineert een vrije markteconomie met een politieke partijdictatuur. De combinatie van ‘laissez-faire-kapitalisme’ in de economie met ‘autoritair totalitarisme’ in de staatsordening kan moeilijk een model voor ons zijn. Ze is wel een uitdaging.</p>
<p>Het is belangrijk dat wij opnieuw onze eigen footprints onder de loep leggen: namelijk het Rijnlandmodel met zijn zorg voor welvaart én welzijn, voor economische groei, ecologische duurzaamheid en sociale zekerheid.<br />
—–<br />
Hoewel de term Rijnlandmodel zelf behoorlijk jong is (in 1991 voor het eerst gebruikt in het boek ‘Captalisme contre capitalisme’ van Michel Albert), voor de grondslagen van de “sociale markteconomie” die we Rijnlandmodel zijn gaan noemen, moeten we teruggaan naar de jaren dertig van vorige eeuw, toen de Freiburger Schule van Franz Böhm en Walter Eucken met het tijdschrift ‘Ordnung der Wirtschaft’ de grondslagen legde van de sociale markteconomie, ook ordoliberalisme genoemd, waarvoor ook Wilhelm Röpke en Alexander Rüstow, die zelf niet behoorden tot de Freiburger Schule, fundamenten aanleverden. De wortels van het Rijnlandmodel reiken zelfs tot in de negentiende eeuw waar de sociale en politieke filosofie reageerde tegen het hebzuchtige individualisme en het laissez-faire-kapitalisme van de industriële revolutie &#8211; denken we aan de verplichte sociale zekerheid van Bismarck.</p>
<p>Ook de pauselijke encycliek van Leo XIII uit 1891, Rerum Novarum, was geïnspireerd door dezelfde principes, gericht op de verzoening van verschillende economische actoren en gefocust op de verhouding van kapitaal en arbeid, met wederzijdse rechten en plichten. De hieruit ontwikkelde Sociale Leer, met zijn nadruk op een actieve rol van de overheid in de economie ter wille van het algemeen belang en het sociale welzijn, heeft ook het personalisme geïnspireerd van de christendemocratie dat de mens niet ziet als een louter individu maar als een ‘persoon’, een uniek wezen dat op vele wijzen verbonden is met anderen. Het is geen toeval dat Emmanuel Mounier zijn personalisme ontwikkelde na de crach van Wallstreet (1929). Duidelijk werd dat de mens opnieuw ook op economisch vlak in het centrum moet blijven. Ook bij Ludwig Erhards Wirtschaftswunder was dat het uitgangspunt: “Allen moeten aan het succes deelnemen”, zei hij.</p>
<p>Daar ligt onze kritiek op het Angelsaksische model: niet de mens, dat wil zeggen ook alle mensen &#8211; in hedendaagse terminologie uitgedrukt: alle stakeholders &#8211; staat er in het centrum. Bij het neoliberalisme wordt te eenzijdig aan de aandeelhouders gedacht, of…misschien zelfs uitsluitend aan de managers.</p>
<p>Precies omdat het Rijnlandmodel alle stakeholders voor ogen heeft, de samenwerking vooropstelt en de sociale bescherming essentieel acht, is het geïnteresseerd in goede arbeidsverhoudingen, hecht het belang aan collectieve successen door samenwerking en niet alleen aan individuele competitie. Precies omdat economie de mens tot doel heeft en niet omgekeerd, is het Rijnlandmodel gericht op economische waardecreatie op lange termijn. De vrijheid van initiatief gaat voor ons samen met verantwoordelijkheid.</p>
<p>Het Rijnlandmodel is gebaseerd op vijf principes:</p>
<p>1 &#8211; De markt is het beste mechanisme om welvaart te genereren, maar om iedereen gelijke kansen te geven om op die markt te opereren is gepaste overheidsinterventie noodzakelijk om bepaalde marktfeilen op te lossen.</p>
<p>2 &#8211; De sociaaleconomische politiek moet stoelen op een nauwe coördinatie tussen vakverenigingen, werkgeversorganisaties en overheid (het zogenaamde tripartiete systeem).</p>
<p>3 &#8211; Het Rijnlandmodel geeft maximale vrijheid aan het privé-initiatief, met persoonlijke verantwoordelijkheid. De burgers mogen niet verwachten dat de staat voor alles zorgt en de staat mag het privé-initiatief niet vervangen, maar moet wel de voorwaarden scheppen opdat het zou kunnen floreren (vandaar de rol van de nonprofit-sector).</p>
<p>4 &#8211; Het Rijnlandmodel hanteert een langetermijnvisie op het vlak van investeringen en arbeidsverhoudingen.</p>
<p>5 &#8211; Subsidiariteit is daarbij een leidend principe: beslissingen moeten gedecentraliseerd worden genomen, op het meest geschikte niveau.</p>
<p>In hun kritiek dat het Rijnlandmodel de economische vrijheid aan banden zou leggen, vergeten de neoliberalen dat het in de economie niet alleen gaat over vrijheid maar ook over vertrouwen. Vertrouwen vat je niet in economische parameters, maar het is en blijft een van de belangrijkste “assets”. Sociale wetenschappers weten dat de mate waarin een samenleving vertrouwen kent, belangrijk is voor haar welslagen en haar functioneren. Ook in de economie is vertrouwen van groot belang. En dat beseft het Rijnlandmodel zeer goed.</p>
<p>Dat vertrouwen ontstaat door een cultuur en een systeem van overleg tussen markt, overheid en middenveld (organisaties van werkgevers en werknemers). In mijn land verwacht ik dan ook voor de komende tijd veel van het huidige, lopende overleg tussen werkgevers en werknemers over een nieuw loonakkoord, wat bij ons het Inter-Professioneel Akkoord wordt genoemd (IPA).</p>
<p>Dat vertrouwen en die langetermijnvisie kunnen niet worden bereikt, als we de markt verabsoluteren en idealiseren: de risico’s die een loutere marktwerking met zich brengt, maken wantrouwig. Wat het ontbreken van vertrouwen betekent, heeft de huidige financiële crisis voldoende getoond.</p>
<p>Als het Rijnlandmodel een gecorrigeerde markteconomie voor ogen heeft, dan is dat niet om het vrije initiatief en de mededinging te hinderen maar om monopolievorming en kartelvorming te verhinderen en zo de markt als het ware te verbreden voor meer spelers en meer concurrentie. Als boutade kunnen we zeggen: niet minder maar meer markt is het doel van het Rijnlandmodel. Misschien kunnen we spreken van het “Rijnmarktmodel”. Het wil immers garant staan voor een ‘op lange termijn’ functionerende markteconomie die berust op vrijheid, mededinging, verantwoordelijkheid én solidariteit.</p>
<p>Ten andere, in ons Rijnlandmodel staat niet alleen economische groei voorop, maar ook sociale vooruitgang. Niet alleen vrijheid van initiatief en verhoging van de consumptie, maar ook werkverschaffing, sociale loonpolitiek en participatie.</p>
<p>Feit is wel dat de markt (het mededingingsprincipe alleen) niet in staat is om zonder staatsinterventie bepaalde externe markteffecten, zoals milieuvervuiling, op te lossen. De vraag van vandaag is: wat is in het kader van een globaliserende wereldeconomie de ‘nieuwe’ balans tussen burger en overheid?<br />
——<br />
Het Rijnlandmodel stond/staat, door die globalisering, al een hele tijd onder druk. Wie op Google ‘Rijnlandmodel’ intikt, krijgt meteen een reeks sites met titels als: “Rijnlandmodel heeft afgedaan”, “Rijnlandmodel is dood”… En in de economische pers was het Rijnlandmodel ook al geen geliefd onderwerp meer: het Britse economisch magazine The Economist bijvoorbeeld voegde er altijd het adjectief “achterhaald” aan toe.</p>
<p>In de economische wetenschap is de marginalisering van ‘ons’ model al veel langer bezig: al van in de jaren dertig in zekere zin, en voornamelijk sinds Milton Friedman, de voorvechter van het vrijemarktkapitalisme en de beperkte overheid, in 1976 de Nobelprijs voor Economie kreeg. Zo kwam het Rijnlandmodel onder druk te staan, zowel vanuit de academische wereld als vanuit instellingen zoals de Europese Commissie, het IMF en de OESO. Wat waren de opmerkingen?</p>
<p>1 Dat sinds de jaren tachtig de Verenigde Staten beter presteerden op het vlak van de groei van het BBP en de jobcreatie dan de Europese Unie.<br />
2 Dat de financiering van het Rijnlandmodel duur is (zie onder meer de zware last van de sociale zekerheid), zeker in het licht van de vergrijzing.<br />
3 Dat het streven naar een tripartiete consensus van het Rijnlandmodel veel tijd doet verliezen.</p>
<p>De Verenigde Staten presteerden qua groei inderdaad beter, “tot recentelijk”. Het verschil in economische groei tussen de landen van het Rijnlandse model en deze van het Angelsaksische model is geslonken. Het is bovendien vooral het Angelsaksische kapitalistische vrije-marktmodel dat zijn zwakheid heeft getoond. Daar is de financiële crisis begonnen. En bovenal, de Amerikaanse economie heeft weinig oog voor de sociale en de ecologische aspecten van de economie.</p>
<p>De arbeidsproductiviteit die we kunnen beschouwen als de ultieme bron van economische voorspoed, is bovendien bij ons (België) tien procent hoger dan in de Verenigde Staten. Als de arbeidsproductiviteit in Duitsland net beneden die van de USA ligt (maar boven die van het Verenigd Koninkrijk), dan is dat te wijten aan de lage arbeidsproductiviteit in de oostelijke Duitse deelstaten (die in hun mentale kielzog nog de last van het communisme meeslepen).</p>
<p>Het is ook een mythe dat het Rijnlandmodel innovatie zou tegenhouden. Precies vanuit zijn langetermijnvisie legt het Rijnlandmodel veel meer de nadruk op industriële innovatie dan op ‘financial engineering’. Het is waar dat zowel het percentage van het BBP dat gaat naar Onderzoek en Ontwikkeling als het totaal van de investeringen voor O&amp;O in de Verenigde Staten hoger is dan bijvoorbeeld in Duitsland, maar Duitsland heeft meer patenten die zowel in Europa, Amerika als Japan zijn gepatenteerd. België op zijn beurt is wereldleider op het vlak van de ‘in-house product innovators’, innovaties die binnen de bedrijven zelf worden ontwikkeld: tussen 2002 en 2004 bijvoorbeeld kenden 55 procent van de grote Belgische bedrijven en 25 procent van het Belgische Klein- en Middelgroot bedrijf (in mijn land Kleine en Middelgrote Ondernemingen genoemd) dergelijke innovaties op het vlak van nieuwe producten, nieuwe processen, nieuwe markten en nieuwe organisatiemethodes.</p>
<p>Dat heeft wellicht ook te maken met de andere arbeidsverhoudingen in onze bedrijven. Het Angelsaksische model legt heel sterk de nadruk op externe flexibiliteit: dat wil zeggen op het uitbesteden van werk en snelle, simpele ontslagprocedures. Dat heeft uiteraard voordelen (het beperkt de kosten), maar het heeft ook nadelen: men is niet geneigd om te investeren in zijn werknemers (net zoals men minder geneigd is om de interne organisatie van het bedrijf tegen het licht te houden). Het Rijnlandmodel met zijn gereguleerde arbeidsmarkt (onder andere een ingewikkeld ontslagrecht en verbindende CAO’s), heeft voordeel bij investeringen in het eigen personeel en dus in in-house-innovatie: de rem op de externe flexibiliteit bevordert de interne flexibiliteit, en innovatie wordt belangrijker dan kostenbeperking (want tegen lagelonenlanden kan men niet concurreren, wel met technologisch betere producten en processen).</p>
<p>Niet te vergeten natuurlijk, de sociale prestatie van het Rijnlandmodel is superieur op het Angelsaksische model: de armoedecijfers zijn veel lager, het gezondheidssysteem is veel efficiënter en toegankelijker, ook de toegang tot het voortgezet onderwijs is veel hoger in Europa. Het Rijnlandmodel beoogt een ordening van de samenleving die de vrije markt haar werk laat doen zonder de sociale cohesie uit het oog te verliezen. De zwakke mens mag niet aan zijn lot worden overgelaten. The American Dream kan waar zijn… voor de happy few althans, in the European Dream is sociale rechtvaardigheid echter geen loos begrip.</p>
<p>Een goed sociaal vangnet is inderdaad duur en de lasten die op de schouders van de ondernemingen rusten, groot, maar wij willen niet dat ondernemerschap alleen door winstbejag is gekenmerkt en gedreven. Wij willen een ondernemerschap dat de sociale betekenis van goed functionerende bedrijven en een goed functionerende economie ook als een maatschappelijke opdracht ziet.</p>
<p>Dat maatschappelijk doel lazen we, (nu er toch zoveel over de banken wordt gesproken deze dagen), vroeger zelfs in de namen van onze banken: Raiffeisenkas in België en Boerenleenbank in Nederland, Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid in België en Nederlandse Middenstandsbank in Nederland… De Nederlandse oud-bankier Hans Ludo van Mierlo, die zopas een boek uit heeft met als titel: ‘Gepast en ongepast geld. Een zoektocht naar het geweten van banken’, herinnerde daaraan in een recent interview met het dagblad Trouw: “Er is vrijwel geen bank of verzekering of hij kreeg bij zijn oprichting een glashelder maatschappelijk doel mee… Financiële dienstverleners waren één met hun maatschappelijke doelstelling. Geld was geen doel maar een middel, maar nu is het bij de meeste banken middel én doel tegelijk… Nu gaat het in veel raden van bestuur van banken bijna alleen nog over geld, haast nooit meer over onderwerpen van maatschappelijk belang… Er moeten weer primair maatschappelijke doelen worden geformuleerd, anders dan louter financiële…”<br />
——<br />
Het is duidelijk, wil het Rijnlandmodel het leidinggevend model blijven voor Europa, dan moet het terug naar zijn wortels maar ook klaar worden gemaakt voor het postindustriële tijdvak. We staan voor heel wat uitdagingen: globalisering, informatiemaatschappij, vergrijzing en milieuproblematiek.</p>
<p>In onze wereldeconomie spelen afstanden geen rol meer, verplaatsen multinationale ondernemingen makkelijker hun vestigingen en hun productie, worden arbeiders van verschillende landen, regio’s en continenten tegen elkaar uitgespeeld.</p>
<p>Een geglobaliseerde wereld, de zogenaamde global village, is bovendien een wereld waar de factor productiearbeid moet inboeten ten voordele van de factor kapitaal en de macht van de grote ondernemingen, want kapitaal en ondernemingen zijn nog mobieler dan arbeid. Maar ook daarvan heeft de financiële crisis de broosheid laten zien. Bovenal omdat tegenover de geglobaliseerde wereldeconomie er nog geen economische wereldinstellingen staan met voldoende kracht.</p>
<p>In onze postindustriële economie is het aandeel van de industriële goederen gedaald ten voordele van de diensten, wat hoger geschoolde arbeidskrachten vereist die bovendien flexibeler zijn. Dat betekent dat de regels voor de organisatie van de arbeidsmarkt en de werkomstandigheden moeten worden herzien. Vaak dateren de bestaande regels nog uit de tijd van de industriële revolutie, die was gekenmerkt door onder meer vaste uren, vaste werkplek, vaste loonstructuur, vaste functie voor elke werknemer in het bedrijf… De arbeidswetgeving en de sociale wetgeving zijn niet helemaal meer aangepast aan de nieuwe postindustriële samenleving. De postindustriële samenleving heeft immers een ernstige verschuiving doorgemaakt op het vlak van de productiefactoren: van kapitaal-land-en-arbeid naar kennis. Dat veronderstelt flexibiliteit en aanpassingsvermogen, maar leidt ook tot meer onzekerheid en veranderingen. We zitten in een samenleving en in een economie die in volle beweging zijn.</p>
<p>De ICT-revolutie doet de vraag stijgen naar hoog gekwalificeerde arbeidskrachten en doet de vraag afnemen naar laag gekwalificeerde en ongeschoolde arbeiders. Dat betekent dat de toestand voor sommige groepen in de samenleving, de laaggeschoolden met name, erg precair kan worden. Ook dit daagt de sociale aspiraties het Rijnlandmodel uit dat arbeid niet alleen ziet als een productiefactor maar ook als middel tot zelfontplooiing en als maatschappelijke bijdrage.</p>
<p>Natuurlijk moeten wij vermijden dat arbeid een onbetaalbare productiefactor wordt, maar tegelijk blijft een correcte inkomensverdeling een waarde op zich die bovendien bijdraagt tot sociale vrede en stabiliteit. Dat het aandeel van het arbeidsinkomen in het nationale inkomen van de G7-economieën is gedaald van 56 procent tot 53 procent in 2007, terwijl de vennootschapswinsten zijn gestegen van 10 procent van het BBP tot 16 procent, moet ons zorgen baren. Als die trend aanhoudt, zal dit leiden tot ernstige sociale spanningen.</p>
<p>Misschien kunnen we nadenken over een nieuw bezoldigingsstelsel voor werknemers: een vast salaris met daarbovenop een flexibel deel dat afhankelijk is van de bedrijfswinst: hogere lonen in goede tijden, loonmatiging in slechte tijden. Topmanagers kunnen alvast het voorbeeld geven van loonmatiging in deze tijden van recessie. In wat ik de ‘participatieve economie’ zou kunnen noemen, zijn bonussen niet alleen voorbehouden voor de top.</p>
<p>Dat de activiteitsgraad in onze landen moet worden opgetrokken tot 70 procent van de actieve bevolking is een feit. Daar zullen we echter pas in slagen, als we durven nadenken over een nieuwe loonstructuur. De loonstructuur van de industriële samenleving, waarbij lonen toenemen gedurende de hele loopbaan, is wellicht ook niet meer geschikt voor de postindustriële economie. We zouden moeten leren aanvaarden dat een bezoldiging een maximumgrens kan bereiken op een leeftijd onder de pensioenleeftijd, waarna de loongroei trager toeneemt dan de gemiddelde lonen. Dat kan vermijden dat bedrijven hun ‘dure’ werknemers van boven de vijftig proberen van zich af te schudden. Het te vroeg op pensioen sturen van oudere werknemers is bovendien niet goed voor het bedrijf, want het bedrijf stuurt daarmee ook in zekere zin zijn ‘geheugen’ weg. Oudere werknemers verpersoonlijken wijsheid en zorg. Hen aan boord houden past bij de langetermijnvisie van het Rijnlandmodel.</p>
<p>Langetermijnvisie roept bij mij het oude begrip van het Rentmeesterschap op. Dit begrip kan dan al oud zijn, het is vandaag meer dan ooit actueel. Wij hebben de aarde gekregen om &#8211; laat mij toe het even Bijbels te zeggen &#8211; “haar te bewerken en te bewaren”. De aarde is niet van ons, wij moeten haar doorgeven aan de volgende generaties. Daarom is een van de dringendste vraagstukken van vandaag dit van de impact van het menselijke ‘handelen’ op de aarde. In 1992 lanceerde de Amerikaanse journalist Andrew Revkin de term anthropoceen, om aan te tonen dat de mensheid in een nieuwe geologisch tijdperk is terechtgekomen waarbij “de aarde zelf de uitputtende, vernietigende invloed ondergaat van de mens”.</p>
<p>Daarom sta ik achter EU-initiatieven om regulerend in te grijpen, wanneer de markt tekortschiet en grensoverschrijdende milieueffecten veroorzaakt. De EU zou meer EU-markten moeten inrichten waar het recht op het gebruik van schaarse milieugoederen, het ‘recht om te vervuilen’ wordt uitgewisseld tegen een correcte prijs. Het ‘cap and trade’ systeem van het zopas hervormde Emission Trading Scheme (ETS, regeling voor de emissiehandel) zoals dit in 2013 van kracht wordt, is een goed voorbeeld van hoe de uitstoot van CO2 (en andere broeikasgassen) kan worden verminderd. De EU legt doelstellingen vast op EU-niveau, maar de opbrengst van de verkoop van vervuilingsrechten gaat naar de lidstaten, waar die kan worden gebruikt zoals de lidstaten het zelf willen: voor milieu-investeringen, om lasten op arbeid te verlagen of voor eender welk ander doel. Een dergelijk systeem kan ook toegepast worden om andere milieugoederen beter te beschermen, zoals zuiver water, stilte, om te veel schade aan de ozonlaag door vliegtuigen te voorkomen, enz. De Europese Unie zou ook het voorbeeld moeten blijven geven aan de rest van de wereld en wereldwijde overeenkomsten blijven aanmoedigen, zoals ze deed door de Kyoto- en Bali-akkoorden te promoten.<br />
——<br />
Het is duidelijk: de vrije markt kan pas goed werken, dat wil zeggen met de woorden van Erhard: zodat “allen aan het succes deelnemen”, als de overheden ook hun rol spelen en zich waar nodig met de economie bemoeien. Inderdaad, “it’s the economy, stupid”. Het Rijnlandmodel pleit niet voor een overheid met almachtsambities, ze zet evenmin de overheid niet buitenspel maar in dienst van de samenleving: dat wil zeggen in dienst van de economische groei, van de sociale rechtvaardigheid en van het duurzame beheer van de aarde. Precies daarom is het Rijnlandmodel superieur aan het Angelsaksische en het Chinese model.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2009/02/24/toespraak-yves-leterme-tijdens-nieuwspoort-diner-rijnland-model/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>4</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Het risico van pseudotransparantie &#8211; Frits Schipper</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/30/het-risico-van-pseudotransparantie-frits-schipper/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/30/het-risico-van-pseudotransparantie-frits-schipper/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 30 Jan 2009 08:43:28 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/30/het-risico-van-pseudotransparantie-frits-schipper/</guid>
		<description><![CDATA[22 januari 2009
De laatste jaren is de term &#8216;transparantie&#8217; niet van de lucht. In de context van bestuur verwijst het naar kennis, toezicht en het geven van rekenschap. Allemaal positief. Er is echter ook een risico.

Transparantie heeft twee betekenissen.
De eerste is doorzichtigheid, letterlijk: het doorlaten van licht zonder merkbaar verlies aan intensiteit. Dit geeft een [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>22 januari 2009<br />
De laatste jaren is de term &#8216;transparantie&#8217; niet van de lucht. In de context van bestuur verwijst het naar kennis, toezicht en het geven van rekenschap. Allemaal positief. Er is echter ook een risico.</p>
<p><span id="more-222"></span><br />
Transparantie heeft twee betekenissen.<br />
De eerste is doorzichtigheid, letterlijk: het doorlaten van licht zonder merkbaar verlies aan intensiteit. Dit geeft een afwezigheid, die andere dingen juist in zicht laat. Maar het kan ook verhullend werken, denk bijvoorbeeld aan het &#8216;glazen plafond&#8217;.<br />
De tweede betekenis benadrukt aanwezigheid. Zo is muziek ‘transparant&#8217; wanneer alle stemmen goed hoorbaar zijn en melodieën en compositorische structuur manifest. Ook een systeem van beloning en bonussen kan in deze zin transparant zijn, er zijn geen geheimen.<br />
Soms komen beide betekenissen samen: de bril waardoor wordt gekeken is transparant en de realiteit is volop present, niets wordt verhuld, er zijn geen dubbele agenda&#8217;s etc.<br />
De stap naar een ideale (sociale) wereld is dan klein. Zo ging de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) uit van de gedachte dat er een oorspronkelijke, paradijselijke, toestand is geweest waarin alles van zichzelf transparant was: de wereld voor de mens, de mensen voor elkaar en voor zichzelf.<br />
Dit lijkt allemaal erg mooi.<br />
Maar een kristallen vaas is niet per definitie mooi. Een transparant beloningssysteem is nog niet rechtvaardig en dito beslissingen zijn niet automatisch correct. Een koppeling met waarden, waaronder ethische, is echter wel mogelijk.<br />
Zo meldde Exxon Mobile in september 2007 op zijn website: &#8216;Our involvement with transparency initiatives is an extension of our commitment to ethical behaviour. These transparency initiatives are designed to increase disclosure of financial information and are fundamental for good governance.&#8217;<br />
Ethisch, verantwoord handelen van de onderneming staat voorop, transparantie wordt daaraan verbonden.<br />
Het gaat hier echter niet om een spontane transparantie à la Rousseau. Integendeel: er moeten middelen worden ontworpen om een en ander te bereiken, zoals een representatie van de financiële situatie van de onderneming. Die representatie (niet de eerder bestaande situatie zelf) wordt dan transparant voor de buitenwereld. Een correcte representatie vergt verder dat zij transparant is in de eerste betekenis &#8211; aanwezigheid en afwezigheid spelen hier beide dus een rol.<br />
Het bijzondere is nu dat er iets tot stand is gebracht dat nu juist wordt geacht zonder toedoen van die middelen te bestaan. Dit kan de transparantieparadox worden genoemd.<br />
Daarnaast moet nog een andere factor worden genoemd: de controlerende blik. De Franse filosoof Paul-Michel Foucault (1926-1984) maakte daarvoor de vergelijking met de koepelgevangenis. In zo&#8217;n gebouw zijn alle gevangenen op efficiënte wijze onderworpen aan een controlerende blik.<br />
Als zodanig heeft deze blik een disciplinerende macht: power through transparency.<br />
De huidige, door de financiële crisis gemotiveerde, roep om (verbeterd) toezicht ligt in het verlengde hiervan. Opvallend is dat nu dat de transparantieparadox hier dus niet speelt. Het effect van de ‘controlerende blik&#8217; wordt niet geacht zonder deze blik te bestaan.<br />
Naast &#8216;transparantie als macht&#8217; zijn er nog andere strategieën: demarcaties, zoals Chinese muren in banken en splitsing van controle en advies bij accountantskantoren; het werken met strakke regels, protocollen; hiërarchie (vormen van bureaucratie); kengetallen om prestaties te meten, en auditing.<br />
Het is nu belangrijk per strategie na te gaan of er sprake is van de transparantieparadox. Met andere woorden: wordt iets anders tot stand gebracht en zichtbaar gemaakt dan hetgeen daarvoor &#8211; &#8217;spontaan&#8217; &#8211; bestond?<br />
Bij het werken met kengetallen (overal waar wordt &#8216;gemeten&#8217;) en bij auditing lijkt dit zeker het geval te zijn.<br />
Volgens sommigen leven we in een audit-samenleving, met een scala aan visibility systems om dingen transparant, zichtbaar, te maken. Ook prestatie-indicatoren voor zorg, onderwijs, justitie, politie etc. kunnen hiertoe worden gerekend.<br />
Cruciaal is dat, bij een mogelijke transparantieparadox, het middel een ‘realiteit&#8217; kan oproepen die juist niet overeenkomt met die welke eraan voorafgaand (en onafhankelijk ervan) bestaat.<br />
In zo&#8217;n geval is de kans op pseudotransparantie groot.<br />
Het behoeft nauwelijks betoog dat beleid/bestuur op basis van pseudotransparentie, &#8211; waarbij een (conceptuele) constructie wordt ‘gezien&#8217; als transparante realiteit &#8211; weinig goeds kan brengen.</p>
<p>Frits Schipper</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/30/het-risico-van-pseudotransparantie-frits-schipper/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>&#8216;Capitalisme contre Capitalisme&#8217; &#8211; Jaap Peters</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/28/capitalisme-contre-capitalisme-jaap-peters/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/28/capitalisme-contre-capitalisme-jaap-peters/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 28 Jan 2009 10:06:54 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>
		<category><![CDATA[Conferenties]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/28/capitalisme-contre-capitalisme-jaap-peters/</guid>
		<description><![CDATA[In 1991 verscheen het boek ‘Capitalisme contre Capitalisme’ van de Fransman Michel Albert (1930). Hij beschreef, net na de val van de Muur, dat er twee vormen van kapitalisme zichtbaar zijn gekomen: de ene is gebaseerd op individualisme en de ander is gebaseerd op solidariteit. De eerste noemde hij het Neo-Amerikaanse-Model, de tweede noemde Albert [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In 1991 verscheen het boek <strong>‘Capitalisme contre Capitalisme’</strong> van de Fransman <strong>Michel Albert</strong> (1930). Hij beschreef, net na de val van de Muur, dat er twee vormen van kapitalisme zichtbaar zijn gekomen: de ene is gebaseerd op individualisme en de ander is gebaseerd op solidariteit. De eerste noemde hij het Neo-Amerikaanse-Model, de tweede noemde Albert het Rijnland (West-Europese) Model. De eerste is gebaseerd op de gedachte dat als het met een ieder goed gaat, het met het collectief ook als vanzelf goed moet gaan. Het Rijnland Model gaat uit van solidariteit, als het met iedereen collectief goed gaat, gaat het met ieder afzonderlijk ook goed. Het lijkt een woordenspelletje, maar inmiddels weten we, dankzij de kredietcrisis, dat het Neo-Amerikaanse-Model (ieder voor zich, God voor ons allen) nogal wat problemen met zich meebrengt en de stabiliteit van het geldsysteem aantast en daarmee de stabiliteit van de samenleving.</p>
<p><span id="more-221"></span></p>
<p>Misschien is het wel aardig eens te kijken wat Albert schreef in 1991, wat er kan gebeuren als je teveel ruimte geeft aan het Neo-Amerikaanse-Model. Hij maakt zich zorgen over de manier waarop ‘de markt’ in Amerika oprukt:<br />
o het gegeven dat bedrijven op zich beschouwd worden als handelsgoederen;<br />
o dat de hoogte van de lonen daar afhankelijk is van de marktontwikkelingen en dat de werknemers in toenemende mate handelswaar dreigen te worden, dus groeit de sociale ongelijkheid;<br />
o dat huisvesting daar volledig tot de vrije markt behoort, zonder sociale huisvesting en huursubsidie (hier ligt de bakermat van de huidige kredietcrisis; mensen met een te laag inkomen kregen onverantwoordelijk hoge hypotheken);<br />
o dat openbaar vervoer daar ook al verworden is tot de categorie handelsgoederen met alle gevolgen van dien (onpraktisch, verouderd en slecht onderhouden);<br />
o dat de media daar niet meer tot de publieke sector behoort, de onafhankelijkheid wordt bedreigd;<br />
o dat onderwijsinstellingen daar ook behoren tot de handelsgoederen; een privilege voor kinderen met rijke ouders;<br />
o tenslotte dat bij de gezondheidszorg daar, de sturende rol van de overheid ontbreekt als het misgaat (zie de ziekenhuizen in Flevoland) en zij ook handelswaar gaat worden.</p>
<p>In zijn boek probeert hij te bewijzen dat er twee vormen van kapitalisme zijn en acht dat na 225 bladzijden ‘wel zo’n beetje’ bewezen. Zijn conclusie toentertijd is simpel: de meest aanvechtbare, de slechtst werkende en de meest meedogenloze vorm van kapitalisme wint steeds meer aan terrein en dat vindt hij gevaarlijk ondanks de euforie dat de Muur is gevallen. Hij waarschuwt ervoor dat het neo-Amerikaanse kapitalisme ernstig zal ontsporen. Omdat we zijn aangeland in de fase van het kapitalisme in plaats van de staat. En dat zal zorgen voor dramatische en gevaarlijke misstanden. ‘Het kan toch niet zo zijn dat alle Europese verworvenheden door de eeuwen heen plotsklaps on-economische aberraties (afwijkingen) waren’, stelt Albert.</p>
<p>Als ik het boek lees mogen we het ergste vrezen over de gevolgen van de kredietcrisis. Het lijkt op AIDS, het immuunsysteem van het kapitalisme zelf is aangetast om twee redenen: de rol van de overheid is weggeprivatiseerd en de banken (en niet de beurs) die eerst het geheim waren achter een goed functionerende Europese economie zijn onderdeel van het probleem geworden. Op 26 maart komt Michel Albert naar Nederland op verzoek van de Stichting Vanwoodman, Rijnlandse kennisproductiviteit. Misschien is het goed dat onze Kamerleden kennis nemen van zijn laatste inzichten voordat we er nog meer miljarden doordraaien.</p>
<p>Waarom ik denk dat Albert gelijk heeft? Als organisatie kun je je veroorloven mensen op straat te zetten, maar als maatschappij kun je dat niet! Sociaal-economisch kapitalisme heeft een reële toekomst.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/28/capitalisme-contre-capitalisme-jaap-peters/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Recept tegen kredietcrisis is Rijnlandse ordening en gemeenschapszin &#8211; Piet Moerman en Mathieu Weggeman</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/18/recept-tegen-kredietcrisis-is-rijnlandse-ordening-en-gemeenschapszin-piet-moerman-en-mathieu-weggeman/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/18/recept-tegen-kredietcrisis-is-rijnlandse-ordening-en-gemeenschapszin-piet-moerman-en-mathieu-weggeman/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 18 Jan 2009 13:10:35 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/18/recept-tegen-kredietcrisis-is-rijnlandse-ordening-en-gemeenschapszin-piet-moerman-en-mathieu-weggeman/</guid>
		<description><![CDATA[Onderstaande artikel werd op 16 januari 2009 gepubliceerd in het NRC. Een prachtige productie van Rijnalnd-Weblog deelnemers Piet Moerman en Mathieu Weggeman. Slechts één aantekening dient hierbij te worden gemaakt. Het Grote Rijnland Congres in 2007 werd georganiseerd door de Stichting Vanwoodman Society met medewerking van o.a. het Rijnland-Weblog en DeLimes Organisatieontwikkeling. Centrum De Baak [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Onderstaande artikel werd op 16 januari 2009 gepubliceerd in het NRC. Een prachtige productie van Rijnalnd-Weblog deelnemers Piet Moerman en Mathieu Weggeman. Slechts één aantekening dient hierbij te worden gemaakt. Het Grote Rijnland Congres in 2007 werd georganiseerd door de <strong>Stichting Vanwoodman Society</strong> met medewerking van o.a. het <strong>Rijnland-Weblog</strong> en <strong>DeLimes Organisatieontwikkeling</strong>. Centrum De Baak heeft met de organisatie helemaal <strong>niets</strong> te maken! <span id="more-200"></span></p>
<p>Het Anglo-Amerikaanse model staat op haar grondvesten te schudden. Om de actuele gebeurtenissen in de financiële en economische wereld te kunnen verklaren, moeten we teruggaan in de geschiedenis.<br />
Door Piet Moerman en Mathieu Weggeman<br />
Bij de Baak, het managementcentrum van VNO-NCW, vindt op 12 oktober 2007 het eerste Grote Rijnland Congres plaats. Het is georganiseerd door diverse groeperingen die hun gevoelens van ongenoegen delen over het functioneren van de huidige anglofiele maatschappij. Doel is een tegenbeweging naar Rijnlandse snit op gang te brengen. Men blijkt echter niet goed in staat dat ongenoegen te duiden. Het Rijnlandse of Europese model staat tegenover het Anglo-Amerikaanse als een zoekende psychotherapeut tegenover Dr. Phil; de psychotherapeut heeft zijn twijfels, mitsen en maren. Dr. Phil heeft en geeft zekerheid.<br />
Eind 20e, begin 21e eeuw zien we dat continentaal Europa de Anglo-Amerikaanse ‘Leitkultur’ heeft omarmd. Niet omdat we veroverd zijn, maar door de sexy en daadkrachtige uitstraling ervan. Het continent heeft zich getransformeerd tot een kloon van die cultuur. Het Rijnlandse model, dat zich onderscheidt door de grote waarde die gehecht wordt aan maatschappelijke cohesie en vakmanschap, is na de Tweede Wereldoorlog langzaam maar zeker verdrongen door een Anglo-Amerikaanse stijl, die gebaseerd is op economische dynamiek en meer liefde voor het geld dan voor het vak. Economische wetenschappers worden rekenmeesters en toekomstvoorspellers, bedrijven hun enthousiaste volgelingen en politici zijn niet veel meer dan geïnteresseerde toeschouwers.<br />
Het Europees erfgoed<br />
Na de bevrijding bijna 65 jaar geleden, worden landen met amper een democratische traditie, zoals West-Duitsland en Italië, maatschappelijk en politiek omgebouwd volgens de regels van de Verlichting. Het oostelijk deel van Europa krijgt pas na 1989 toegang tot deze democratische gemeenschap. Tussen 1945 en 1989 heerst de Koude Oorlog, waarin de rode dictatuur de bruine en zwarte heeft afgelost. Opnieuw zorgen de Amerikanen ervoor dat het westelijk deel van het continent gevrijwaard wordt van een nieuwe dictatuur. Daarnaast hadden zij eind jaren ’40 de Marshallhulp ingesteld, waardoor West-Europa weer de kans krijgt om volwaardig aan de wereldhandel deel te nemen. De helpende hand van de Amerikanen is uitgebreid en genereus geweest. Het is daardoor dat op het continent het idee post vat dat de Anglo-Amerikaanse stijl gekopieerd moet worden. Het Rijnlands erfgoed wordt geleidelijk aan vergeten, terwijl de Amerikanen juist daaruit hun inspiratie hebben geput.<br />
De scheiding der geesten<br />
De Eerste Wereldoorlog – met daarna de crisis van 1929 – heeft Europa in grote verwarring achtergelaten. Er ontstaan allerlei revolutionaire en reactionaire stromingen, en velen zijn van mening dat het klassieke laissez faire kapitalisme heeft gefaald. Tegen die achtergrond komt in 1938 in Parijs een groep Amerikaanse en Europese liberale intellectuelen bij elkaar, op uitnodiging van Walter Lippman, schrijver van ‘Die Gesellschaft freier Menschen’. Lippman streeft naar een revisie van het liberalisme en zijn bedoeling is dat de geïnviteerde groep leiding gaat geven aan een vorm van liberalisme die zich onderscheidt van de compromisloze laissez faire opvattingen. De groep bestaat ondermeer uit Wilhelm Röpke, Friedrich von Hayek en Alexander Rüstow. Er wordt gediscussieerd over de naamgeving van de nieuwe richting en uiteindelijk besluit men ‘neoliberalisme’ als naam te aanvaarden. Door die discussie komen ook de eerste verschillen van mening tot uiting: Röpke en Rüstow behoren tot de groep denkers die aan de wieg hebben gestaan van het Duitse sociale marktmodel, het latere Rijnland-model. Terwijl Von Hayek en Friedman de grondslag leggen voor deregulering van de wereldeconomie, ofwel globalisering. De leden van de Lippman-groep zijn het wél met elkaar eens dat privé-eigendom en contractvrijheid wezenlijk zijn voor ondernemingen en voor het functioneren van vrije markten.<br />
De rol van de staat<br />
Marktwerking is essentieel voor een democratie. Daarover is men het ook eens, maar over de rol van de overheid bestaan grote controversen. Von Hayek wil de bevoegdheden van de Staat gelimiteerd zien tot het handhaven van de rechtsorde. Andere deelnemers, waaronder ook Rüstow, pleiten voor een sterke Staat en daarmee is de kloof tussen gematigde en radicale liberalen een feit.<br />
Intussen is in 1948 in Duitsland, op instigatie van ondermeer Röpke, de grondslag gelegd voor een sociale, op marktwerking berustende samenleving. De radicale laissez faire variant van de marktwerking heeft wat meer tijd nodig, maar wordt in de jaren zestig definitief omarmd door de VS. Von Hayek’s boek ‘Verfassung der Freiheit’ uit 1960 en het twee jaar later verschijnende ‘Kapitalismus und Freiheit’ van Friedman hebben daar in belangrijke mate toe bijgedragen. De Nobelprijzen voor Von Hayek in 1974 en voor Friedman in 1976 getuigen van de dominantie van hun opvattingen in kringen van economen, politici en zakenmensen. Chili wordt het eerste grote experiment voor laissez faire. De sleutelwoorden voor dat experiment zijn volgens Naomi Klein: privatisering, deregulering en inkrimping van de sociale uitgaven. Ontplooiing van persoonlijke vrijheid en mensenrechten zijn geen issue. Het laissez-faire neoliberalisme is blijkbaar verenigbaar met een niet-democratische staatsorde. Later wordt dat in China en Rusland nog eens bewezen.<br />
Europa gevangen in een nieuwe ‘Leitkultur’<br />
De westerse maatschappij gelooft in de Trias Politica. Alleen de consequenties die eruit worden getrokken, zijn voor Rijnlanders en Anglo-Amerikanen verschillend. De Amerikanen definiëren met hun Bill of Rights van 1791 als eerste een moderne constitutie. In Europa, verloopt dat proces veel moeizamer. Pas na de val van de Muur ontstaat in de Europese Gemeenschap als geheel, een Trias Politica met een adequate scheiding der machten. Na de ondergang van het communisme wordt als leidende maatschappelijk principes vrijwel direct gekozen voor vrije markteconomie en democratie naar Amerikaans model &#8211; zij waren immers de overwinnaars. In 1957 had Karl Popper met zijn boek ‘Die offene Gesellschaft und ihre Feinde’ daar al het voorwerk voor verricht. Zijn ideeën werden door de intellectuelen rond Margareth Thatcher en Ronald Reagan al begin jaren tachtig panklaar gemaakt. Men kon er na de val van het communisme meteen mee aan de slag.<br />
Zo zijn de Anglo-Amerikaanse en de Europese wereld begin jaren negentig uit elkaar gegroeid. Europa is in verwarring, oscillerend tussen Friedman en Keynes en heeft zich zelf een minderwaardigheidscomplex aangepraat. De Anglo-Amerikanen verkeren in de roes van de totale overwinning en van het eind van de geschiedenis (Fukuyama).<br />
Voor de elite in Europa functioneert het schisma in de negentiger jaren als een splijtzwam. Men gaat overstag. Geld, roem, glans en machtsvertoon worden de bepalende grootheden waarmee de elites zich onderscheiden van de modale burger. Tijd voor reflectie is er niet. Dat is ouderwets en vertraagt. Om de zaak toch in het gareel te houden, bureaucratiseren we er lustig op los. Het oude continentale trio (meester, gezel, leerling) is verdwenen en een mysterieuze gast: de MBA heeft zijn intrede gedaan. Quasi religieus verpakte richtlijnen en procedures uit de economische-, management-, gedrags- en maatschappijwetenschappen, worden als zaligmakend over ons uitgestort. Deze regels van de MBA’s zijn prescriptief, eenvoudig en blaken van helderheid omdat alleen gemeten wordt wat gemeten kan worden. De stijl van deze nieuwe managers staat in schril contrast met de Rijnlandse traditie waarin twijfel, verwondering, bedachtzaamheid en wijsheid de boventoon voeren, zowel in het bedrijfsleven als in het wetenschappelijke discours.<br />
Doorbreken van de impasse<br />
Veertig jaar na Popper komt de socioloog Ralf Dahrendorf met gedegen kritiek op de nieuwe ‘Leitkultur’ die zich kenmerkt door markt- en globaliseringeuforie. Zijn drie belangrijkste punten zijn:<br />
1. Marktwerking en globalisering bieden duidelijke voordelen voor de aandeelhouders, maar evidente nadelen voor de andere stakeholders die door anonieme kapitaalbezitters verslonden worden.<br />
2. Marktwerking en globalisering bedreigen het democratisch proces. Immers, politiek is tot de landsgrenzen beperkt, economie gaat er overheen.<br />
3. Er is niet één beste vorm van kapitalisme. De wijze waarop democratische spelregels, economische groei en sociale samenhang op elkaar zijn afgestemd, kan op meerdere manieren georganiseerd worden.<br />
Momenteel zit de Europese ist-cultuur gevangen tussen de soll-cultuur van de Anglo-Amerikanen en die van het Islamisme. Om in de ‘Fights, games and debates’ terminologie van Rapoport te blijven, kun je stellen dat Europeanen debaters zijn die proberen te overtuigen met het in waarde laten van de opponent (win-win). Anglo-Amerikanen zijn gamers die &#8211; weliswaar met dezelfde Westerse spelregels &#8211; de andere partij onderliggend proberen te maken (win-lose). Islamisten zijn fighters zonder Trias Politica die weigeren om met onze cultuur echt te debatteren. De basis daarvoor ontbreekt omdat onze westerse postulaten en paradigma’s het op moeten nemen tegen Islamistische dogma’s.<br />
Hoe nu verder? De radicalisering van het liberaliseringproces kent zijn grenzen. De zogenaamde open samenleving lijkt die natuurlijke grenzen nu overschreden te hebben, waardoor haar voortbestaan wordt bedreigd. De overheersende en verzelfstandigde instrumentele rationaliteit moet daarom weer ondergeschikt worden gemaakt aan een herstelde doel- en waardenrationaliteit. Ook Dahrendorf stelt dat sociale uitsluiting en gepersonaliseerde macht op grond van rijkdom, onacceptabel zijn. Wie alleen maar vrijheid wil, dient grote sociale en economische ongelijkheid te accepteren als de prijs die de maatschappij daarvoor betaalt.<br />
Is Europa op dit moment bij machte om de gemoederen op één lijn te krijgen? Als we de laatste berichten goed interpreteren, tekent zich weer een tweespalt af. Ditmaal tussen enerzijds Frankrijk en Engeland als voorvechters van daadkracht, en anderzijds Duitsland dat kiest voor beheersing en ‘Mass und Mitte’.<br />
Het is daarom tijd voor herintreding van het onlosmakelijke Rijnlandse trio: vrijheid, ordening en gemeenschapszin. Sinds de post-moderne nikserigheid is de vrijheid aan een alleingang begonnen en in omvang geëxplodeerd. Ordening en gemeenschapszin zijn van die explosie het slachtoffer geworden. Alles moet kunnen, anything goes. De huidige crisis toont eens te meer aan dat de Anglo-Amerikaanse maakbare soll-wereld van Dr. Phil, een illusie is. Wat er gebeurt, hangt af van de individuele burger, in zijn rol van consument, werknemer en ouder.<br />
Daarom de aanbeveling om de balans weer meer in evenwicht te brengen door het stimuleren van Rijnlandse ordening en gemeenschapszin. Daardoor zullen we produktiever en beschaafder om kunnen gaan met de zich steeds weer, op een onvoorspelbare manier actualiserende ist-wereld. Niet investeren in nog ingewikkeldere hooggeleerde modellen, maar vertrouwen op de collectieve ambitie en het zelf-organiserend vermogen van een gemeenschap die door een reflecterende psychotherapeut wordt vergezeld.<br />
Toen we onze oren nog niet zo naar de Anglo-Amerikaanse wereld lieten hangen, durfden we dat. Vraag is of we daar ook nu nog het lef voor hebben.<br />
Piet Moerman is emeritus hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Mathieu Weggeman is hoogleraar Bedrijfskunde aan de Technische Universiteit Eindoven</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2009/01/18/recept-tegen-kredietcrisis-is-rijnlandse-ordening-en-gemeenschapszin-piet-moerman-en-mathieu-weggeman/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Op het mbo gaat onderwijschaos gewoon door – Hans Beertema</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/05/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/05/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema/#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 01 Jan 1970 00:59:59 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/1999/11/30/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema/</guid>
		<description><![CDATA[Dijsselbloem liet het mbo buiten het onderzoek. Daar gaat het competentieleren in volle vaart door. De beste docenten wijken voor goedkopere instructeurs, zegt Hans Beertema.
De conclusies van de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem lieten aan duidelijkheid niets te wensen over: de afgelopen vijftien jaar zijn er grote risicos genomen met weinig doordachte onderwijsvernieuwingen, de politiek zat te [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Dijsselbloem liet het mbo buiten het onderzoek. Daar gaat het competentieleren in volle vaart door. De beste docenten wijken voor goedkopere instructeurs, zegt Hans Beertema.</em><br />
De conclusies van de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem lieten aan duidelijkheid niets te wensen over: de afgelopen vijftien jaar zijn er grote risicos genomen met weinig doordachte onderwijsvernieuwingen, de politiek zat te dicht op de werkvloer, de positie van de leraar werd uitgekleed en wetenschappelijke onderbouwing van de plannen ontbrak.</p>
<p><span id="more-102"></span><br />
Het mbo en het hbo ontkwamen aan het onderzoek van de commissie &#8211; terwijl juist daar het Nieuwe Leren het verst is doorgevoerd. De experimenten in het mbo met het competentieleren veroorzaakten zoveel chaos dat de minister al uitstel van de integrale invoering had verleend: augustus 2008 werd augustus 2010.<br />
Terwijl de koepelorganisaties van het voortgezet onderwijs zich bewust lijken te worden van de problemen, kiest de MBO-raad voor een heel andere benadering: de totale ontkenning.<br />
Jan van Zijl, de zojuist aangetreden voorzitter, ziet nergens problemen. Tienduizenden mbo-scholieren die ongediplomeerd uitvallen komen heus wel aan de bak in de schoonmaak of de horeca en hun werkgevers zijn echt wel bereid om hun later de gelegenheid te geven om alsnog hun diploma te halen, aldus Van Zijl in het AD van 20 februari. In Trouw beweert hij dat het competentieleren breed draagvlak heeft en dat hij in het mbo nergens het cynisme is tegengekomen dat zo kenmerkend is voor het voortgezet onderwijs.<br />
Het procesmanagement MBO, dat deze onderwijsvernieuwing invoert, geeft deze maand een eenmalig blad uit waarin in zes juichende artikelen wordt uitgelegd dat de vernieuwing in het mbo geheel Dijsselbloem-proof is: er is volop draagvlak, de scholen zijn goed op weg, werkgevers en zelfs de leerlingen zijn uiterst tevreden. Er zijn maar een paar probleempjes: de leraren moeten nog leren inzien dat ze geen onderwijs meer mogen geven, maar de nieuwe rol van procesbegeleider moeten omarmen. En er moet nog een wetenschappelijke onderbouwing komen van nut en noodzaak van het competentieleren, want die ontbreekt. Daar is natuurlijk nog veel extra geld voor nodig.<br />
Het laatste knelpunt dat wordt gesignaleerd is de eis van de overheid om centrale mbo-examens in te voeren om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Die eis moet het ministerie onmiddellijk laten vallen, aldus het MBO-procesmanagement. Want Dijsselbloem zegt dat de overheid het onderwijs met rust moet laten.<br />
Het staat er echt, maar het is de wereld op zijn kop. Met zuivere propagandatechnieken worden alle argumenten van Dijsselbloem omgekeerd om het eigen gelijk te halen.<br />
Leraren willen juist méér vakinhoud en méér lesgeven én ze willen centrale examens. Leerlingen willen niet meer alles zelf uitzoeken en dagenlang achter de computer bezig zijn met het bepalen van hun eigen leervraagjes. Ze willen structuur en inhoud, naast competenties. Ze willen kennis van de wereld van mens, werknemer en maatschappij en ze willen aansluiting krijgen op de main stream.<br />
Intussen hebben vierhonderd werknemers van ROC Horizon College in Noord Holland een discussiestuk toegestuurd gekregen waar ze flink van schrokken. Wat is de kern van het stuk? De stages die de studenten gaan lopen in plaatselijke bedrijven, worden zo uitgebreid dat de mbo-opleiding eigenlijk een bedrijfsschool wordt. De bedrijven bepalen grotendeels de inhoud van de opleiding en de studenten werken er nagenoeg gratis. In het plan staat verder: functiegroepen die toenemen zijn de onderwijsmanagers en het onderwijsondersteunend personeel (vooral praktijkbegeleiders en instructeurs). Functies die afnemen zijn de onderwijsgevenden, vooral in de LC-functie (een salarisschaal voor ervaren docenten). In gewoon Nederlands betekent het dat de leraren met een onderwijsbevoegdheid eruit gaan en vervangen worden door goedkope instructeurs op mbo-niveau en dat het aantal managers groeit. In augustus 2008 moet dit zijn beslag krijgen, twee jaar voor de verplichte invoerdatum.<br />
Dit ROC en de MBO-raad bewerkstelligen precies het tegenovergestelde van wat Dijsselbloem bepleit: onderwijs in vakkennis wordt afgeschaft en vervangen door instructies in vaardigheden waar het bedrijfsleven op dat moment behoefte aan heeft. Dat betekent minder vakkennis, minder aandacht voor basisvaardigheden als rekenen en taal, minder vorming en ontwikkeling, minder aandacht voor integratie en emancipatie. En de vaak al gebrekkige aansluiting op het hbo wordt nog slechter. Tel uit je winst. Als ik Dijsselbloem was, dan zou ik hier van wakker liggen.<br />
Gelukkig zijn er ROCs die een andere weg kiezen. Daar heeft men geleerd van de fouten en wordt er gezocht naar een betere balans tussen competenties en vakkennis. Daarmee wordt de positie van de docent langzaam maar zeker in ere hersteld.<br />
Het lijkt erop dat het MBO-procesmanagement kiest voor de vlucht naar voren: voordat de discussie over de kwaliteit van het mbo losbarst, snel nog even het competentieonderwijs invoeren. Terugdraaien wordt straks onmogelijk en daarmee stelt men de staatssecretaris en de minister voor een voldongen feit. Het mbo zwabbert zo alle kanten op in het post-Dijsselbloem-tijdperk. Dat is geen verheffend gezicht. Is het tijd voor Dijsselbloem 2?<br />
Bron, NRC 28 maart 2008</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/05/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Negen kilo overbodige regels voor scholen – Robin Gerrits</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/negen-kilo-overbodige-regels-voor-scholen-%e2%80%93-robin-gerrits/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/negen-kilo-overbodige-regels-voor-scholen-%e2%80%93-robin-gerrits/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 04 Apr 2008 15:53:09 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/negen-kilo-overbodige-regels-voor-scholen-%e2%80%93-robin-gerrits/</guid>
		<description><![CDATA[VOORBURG
Protestantse scholen boden minister Plasterk het Boek der Overbodigheden aan. ‘Wij weten wat goed is voor kinderen.’
Het geschrift is zo groot dat de protestants-christelijke Besturenraad er een busje voor nodig had om het bij de minister van Onderwijs te krijgen. Het Boek der Overbodigheden weegt negen kilo, maar de last van alle regeltjes en administratieve [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>VOORBURG</p>
<p>Protestantse scholen boden minister Plasterk <em><strong>het Boek der Overbodigheden aan. ‘Wij weten wat goed is voor kinderen.’</strong></em><br />
Het geschrift is zo groot dat de protestants-christelijke Besturenraad er een busje voor nodig had om het bij de minister van Onderwijs te krijgen. Het Boek der Overbodigheden weegt negen kilo, maar de last van alle regeltjes en administratieve verplichtingen die tegenwoordig op scholen rust moet nog veel zwaarder zijn. Want daarom ging het.</p>
<p><span id="more-104"></span></p>
<p>Formulieren die drie keer opnieuw moeten worden ingevuld omdat een letter in een naam fout gespeld staat, een ongevallenregistratieformulier dat behalve de gekozen behandeling de namen vraagt van directeur, toezichthouder, ouders, leerling en huisarts. Terwijl het na de val uit het klimrek slechts van belang is genoeg pleisters op de zere plek te plakken. Schoolleiders voelen zich als kleine kinderen behandeld, zegt woordvoerder Grada Huis van de Besturenraad. ‘Het zijn professionals die prima weten wat in het belang is van kinderen.’<br />
De 110 gedocumenteerde inzendingen van schooldirecteuren, bovenschoolse managers en stafleden uit alle onderwijslagen reageerden op de oproep van de Besturenraad te laten weten welke administratieve verplichtingen hen van het onderwijs zelf afhouden. Huis: ‘Ze zeggen te snappen dat regels nodig zijn, maar de laatste 10, 15 jaar is het echt doorgeschoten.’<br />
Die regeldruk komt van het Rijk, gemeenten, accountants en de onderwijsinspectie, maar ook van brandweer en Arbodienst. Projectleider namens de Besturenraad Carla Rhebergen: ‘Een directeur zette op een rijtje dat hij 105 plannen en protocollen voor veiligheid en kwaliteit in de kast moet hebben staan. Wat zeggen die letters dan nog?’<br />
En dan is er nog wat per post naar scholen wordt gestuurd. Rhebergen: ‘Een directeur kreeg in twee maanden maar liefst 31 verzoeken om onderzoeksdeelname op zijn bureau.’ De ‘planlast’, zoals Rhebergen het noemt, raakt aan een bredere maatschappelijke discussie over hoe ver we ons kunnen indekken. Immers: elk incident op een school leidt tot een maatregel voor de sector. ‘Alles in protocollen vastleggen geeft schijnzekerheid. Stopt het pesten als een school een pestprotocol heeft?’<br />
‘Vaak worden regels met de beste intenties ingesteld, maar zonder mee te wegen wat het betekent voor wie ermee moet werken’, zegt minister Plasterk in een reactie. Huis roept op tot milde bureaucratische ongehoorzaamheid. ‘Dan geef je eens niet door hoeveel pleisters je gebruikte. Kijk maar eens wat er gebeurt.’</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/negen-kilo-overbodige-regels-voor-scholen-%e2%80%93-robin-gerrits/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Op het mbo gaat onderwijschaos gewoon door – Hans Beertema</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema-2/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema-2/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 04 Apr 2008 15:33:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema-2/</guid>
		<description><![CDATA[Dijsselbloem liet het mbo buiten het onderzoek. Daar gaat het competentieleren in volle vaart door. De beste docenten wijken voor goedkopere instructeurs, zegt Hans Beertema.
De conclusies van de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem lieten aan duidelijkheid niets te wensen over: de afgelopen vijftien jaar zijn er grote risicos genomen met weinig doordachte onderwijsvernieuwingen, de politiek zat te [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Dijsselbloem liet het mbo buiten het onderzoek. Daar gaat het competentieleren in volle vaart door. De beste docenten wijken voor goedkopere instructeurs, zegt Hans Beertema.</em><br />
De conclusies van de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem lieten aan duidelijkheid niets te wensen over: de afgelopen vijftien jaar zijn er grote risicos genomen met weinig doordachte onderwijsvernieuwingen, de politiek zat te dicht op de werkvloer, de positie van de leraar werd uitgekleed en wetenschappelijke onderbouwing van de plannen ontbrak.</p>
<p><span id="more-103"></span><br />
Het mbo en het hbo ontkwamen aan het onderzoek van de commissie &#8211; terwijl juist daar het Nieuwe Leren het verst is doorgevoerd. De experimenten in het mbo met het competentieleren veroorzaakten zoveel chaos dat de minister al uitstel van de integrale invoering had verleend: augustus 2008 werd augustus 2010.<br />
Terwijl de koepelorganisaties van het voortgezet onderwijs zich bewust lijken te worden van de problemen, kiest de MBO-raad voor een heel andere benadering: de totale ontkenning.<br />
Jan van Zijl, de zojuist aangetreden voorzitter, ziet nergens problemen. Tienduizenden mbo-scholieren die ongediplomeerd uitvallen komen heus wel aan de bak in de schoonmaak of de horeca en hun werkgevers zijn echt wel bereid om hun later de gelegenheid te geven om alsnog hun diploma te halen, aldus Van Zijl in het AD van 20 februari. In Trouw beweert hij dat het competentieleren breed draagvlak heeft en dat hij in het mbo nergens het cynisme is tegengekomen dat zo kenmerkend is voor het voortgezet onderwijs.<br />
Het procesmanagement MBO, dat deze onderwijsvernieuwing invoert, geeft deze maand een eenmalig blad uit waarin in zes juichende artikelen wordt uitgelegd dat de vernieuwing in het mbo geheel Dijsselbloem-proof is: er is volop draagvlak, de scholen zijn goed op weg, werkgevers en zelfs de leerlingen zijn uiterst tevreden. Er zijn maar een paar probleempjes: de leraren moeten nog leren inzien dat ze geen onderwijs meer mogen geven, maar de nieuwe rol van procesbegeleider moeten omarmen. En er moet nog een wetenschappelijke onderbouwing komen van nut en noodzaak van het competentieleren, want die ontbreekt. Daar is natuurlijk nog veel extra geld voor nodig.<br />
Het laatste knelpunt dat wordt gesignaleerd is de eis van de overheid om centrale mbo-examens in te voeren om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Die eis moet het ministerie onmiddellijk laten vallen, aldus het MBO-procesmanagement. Want Dijsselbloem zegt dat de overheid het onderwijs met rust moet laten.<br />
Het staat er echt, maar het is de wereld op zijn kop. Met zuivere propagandatechnieken worden alle argumenten van Dijsselbloem omgekeerd om het eigen gelijk te halen.<br />
Leraren willen juist méér vakinhoud en méér lesgeven én ze willen centrale examens. Leerlingen willen niet meer alles zelf uitzoeken en dagenlang achter de computer bezig zijn met het bepalen van hun eigen leervraagjes. Ze willen structuur en inhoud, naast competenties. Ze willen kennis van de wereld van mens, werknemer en maatschappij en ze willen aansluiting krijgen op de main stream.<br />
Intussen hebben vierhonderd werknemers van ROC Horizon College in Noord Holland een discussiestuk toegestuurd gekregen waar ze flink van schrokken. Wat is de kern van het stuk? De stages die de studenten gaan lopen in plaatselijke bedrijven, worden zo uitgebreid dat de mbo-opleiding eigenlijk een bedrijfsschool wordt. De bedrijven bepalen grotendeels de inhoud van de opleiding en de studenten werken er nagenoeg gratis. In het plan staat verder: functiegroepen die toenemen zijn de onderwijsmanagers en het onderwijsondersteunend personeel (vooral praktijkbegeleiders en instructeurs). Functies die afnemen zijn de onderwijsgevenden, vooral in de LC-functie (een salarisschaal voor ervaren docenten). In gewoon Nederlands betekent het dat de leraren met een onderwijsbevoegdheid eruit gaan en vervangen worden door goedkope instructeurs op mbo-niveau en dat het aantal managers groeit. In augustus 2008 moet dit zijn beslag krijgen, twee jaar voor de verplichte invoerdatum.<br />
Dit ROC en de MBO-raad bewerkstelligen precies het tegenovergestelde van wat Dijsselbloem bepleit: onderwijs in vakkennis wordt afgeschaft en vervangen door instructies in vaardigheden waar het bedrijfsleven op dat moment behoefte aan heeft. Dat betekent minder vakkennis, minder aandacht voor basisvaardigheden als rekenen en taal, minder vorming en ontwikkeling, minder aandacht voor integratie en emancipatie. En de vaak al gebrekkige aansluiting op het hbo wordt nog slechter. Tel uit je winst. Als ik Dijsselbloem was, dan zou ik hier van wakker liggen.<br />
Gelukkig zijn er ROCs die een andere weg kiezen. Daar heeft men geleerd van de fouten en wordt er gezocht naar een betere balans tussen competenties en vakkennis. Daarmee wordt de positie van de docent langzaam maar zeker in ere hersteld.<br />
Het lijkt erop dat het MBO-procesmanagement kiest voor de vlucht naar voren: voordat de discussie over de kwaliteit van het mbo losbarst, snel nog even het competentieonderwijs invoeren. Terugdraaien wordt straks onmogelijk en daarmee stelt men de staatssecretaris en de minister voor een voldongen feit. Het mbo zwabbert zo alle kanten op in het post-Dijsselbloem-tijdperk. Dat is geen verheffend gezicht. Is het tijd voor Dijsselbloem 2?<br />
Bron, NRC 28 maart 2008</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/04/op-het-mbo-gaat-onderwijschaos-gewoon-door-%e2%80%93-hans-beertema-2/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>‘Het dominante managementdenken’: fnuikend en funest voor het hoger onderwijs &#8211; Sjaak Toonen</title>
		<link>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/03/%e2%80%98het-dominante-managementdenken%e2%80%99-fnuikend-en-funest-voor-het-hoger-onderwijs-sjaak-toonen/</link>
		<comments>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/03/%e2%80%98het-dominante-managementdenken%e2%80%99-fnuikend-en-funest-voor-het-hoger-onderwijs-sjaak-toonen/#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 03 Apr 2008 12:15:34 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Henk</dc:creator>
				<category><![CDATA[Artikelen]]></category>
		<category><![CDATA[Blogroll]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/03/%e2%80%98het-dominante-managementdenken%e2%80%99-fnuikend-en-funest-voor-het-hoger-onderwijs-sjaak-toonen/</guid>
		<description><![CDATA[De onderwijspraktijk
Ik laat u een werkoverleg meemaken tussen een onderwijsmanager en een hogeschooldocent.
 De laatste stelt dat hij zijn werk niet goed kan doen. Hij deelt zijn werkruimte van 7 x 4 meter met drie collega’s. Er staan vier bureaus met vier PC’s en vier telefoons. Bovendien heeft de werkruimte de functie gekregen van flexibele werkplekken [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong>De onderwijspraktijk</strong><br />
Ik laat u een werkoverleg meemaken tussen een onderwijsmanager en een hogeschooldocent.</p>
<p><span id="more-105"></span> De laatste stelt dat hij zijn werk niet goed kan doen. Hij deelt zijn werkruimte van 7 x 4 meter met drie collega’s. Er staan vier bureaus met vier PC’s en vier telefoons. Bovendien heeft de werkruimte de functie gekregen van flexibele werkplekken want naast de vijf vaste docenten proberen ook uurdocenten, binnenvallende collega’s van andere opleidingen en rondreizende managers een ‘flex’ te scoren. Spontaan overleg met collega’s of studenten kan natuurlijk niet in deze ruimte (wat om de haverklap wèl gebeurt). Spreekruimtes zijn weliswaar van te voren te reserveren maar in de regel al vergeven. De docent benadrukt dat juist de beschikbaarheid van kleine werkruimtes van uiterst groot belang is gezien de aard van het ‘nieuwe’ onderwijs: het competentiegericht leren en het daarbij horende werken in studiegroepjes, al of niet onder begeleiding van een docent. Terwijl docent naar adem hapt, geeft de onderwijsmanager aan dat we nog ruim in ons jasje steken met onze vierkante meters berekend naar het aantal studenten dat we onderdak bieden (richtlijn facilitaire zaken). Bovendien is uit onderzoek gebleken dat de bezettingsgraad van docentenruimtes over de gehele week genomen 30% bedraagt.<br />
De docent snijdt en ander heikel punt aan: het inhuren van externe surveillanten bij tentaminering. Dit heeft al tot verschillende problemen en zelfs calamiteiten geleid. Zo had de surveillant geen leslokaal tot zijn beschikking of het verkeerde tentamen in handen gekregen. Zelfs een hoogoplopende ruzie bleef de surveillant niet bespaard: was het nu wel een open-boek-tentamen (studenten) of niet (surveillant). Juist zelf de tentamens afnemen, zo stelt onze docent, is wel zo fatsoenlijk naar de klant toe: je kunt toelichting geven op het tentamen en in alle voorkomende gevallen als deskundige adequaat optreden. De onderwijsmanager: het is goedkoper om zestigplus surveillanten van buiten in te huren.</p>
<p>In dit artikel stel ik de vraag aan de orde of het type managementdenken zoals hierboven geïllustreerd te rechtvaardigen is. Eerst ga ik nader in op het gangbare denken van managers. Daarna haal ik de rechtvaardigheidsfilosofie van John Rawls aan; met zijn benadering probeer ik de patstelling tussen managers en docenten (‘wie doet het nu fout’) te doorbreken. Tot slot laat ik zien hoe lastig dit dominante managementdenken in het onderwijs te rechtvaardigen is.</p>
<p><strong>Het denken van managers</strong><br />
Kritische publicaties over het doen en laten managers vinden gretig aftrek Denk hierbij aan populaire boeken van Jaap Peters (2004), Joep Schrijvers (2002) en zeer recentelijk Chris van der Heijden (2008). In deze publicaties moet haast altijd de manager het ontgelden. Hij is immers de personificatie van de organisatie voor de gewone werknemers. In hun ogen is de manager de belichaming van de productiviteitsnormen en de efficiencynormen die dwingend worden opgelegd.<br />
Dit type ‘rationaliteitmanagement’ is ook in het onderwijs doorgedrongen. Vraag het de docent uit het praktijkvoorbeeld. Steeds meer kopieert het onderwijs de commerciële sector. Ook onderwijsinstellingen opereren in een context van concurrentie en de daarmee gepaard gaande ‘natuurlijke’ tendens naar groei en grootschaligheid, de gerichtheid op winst, kostenbesparing en dus efficiency.<br />
Nu mag deze bedrijfseconomische gerichtheid voor een productiebedrijf misschien te verdedigen zijn, voor een organisatie in de zorg of het onderwijs is dat maar zeer de vraag. Zo stelt William Baumol, kunstenaar en econoom, met zijn ‘Baumol-effect’ dat het schier onmogelijk is om de productiviteit in de arbeidsintensieve dienstverlening steeds efficiënter te maken. Als voorbeeld geeft hij het werk van een strijkkwartet. Hoe kan dat productiever of efficiënter (en goedkoper) worden aangepakt? Met zijn drieën spelen? Sneller spelen? Nee, hooguit vaker. Maar ook die mogelijkheden zijn beperkt als men tenminste de kwaliteit van het werk in ogenschouw neemt.<br />
Voor de zorg en het onderwijs zijn die mogelijkheden om productiever en efficiënter te werken ook beperkt als men dit tenminste niet ten koste wil laten gaan van de zorg aan het bed en goed onderwijs in de klas. Vele zorgverleners en onderwijskrachten treffen een manager aan die vooral vanuit de organisatorische kaders opereert en gericht is op continuïteit, groei en grootschaligheid en daarvoor kwantificeerbare instrumenten hanteert: de bedrijfseconomische ken- en stuurgetallen. De kwaliteit van de directe dienstverlening en het werkplezier van de dienstverlener lijden daar ernstig onder.</p>
<p><strong>Is het dominante managementdenken te rechtvaardigen?</strong><br />
Ik typeer de heersende stijl van managers, die van de onderwijsmanager incluis, als het dominante managementdenken. Daaronder versta ik het denken vooral in termen van planning &amp; control, beheren &amp; beheersen, productiviteit &amp; efficiency, standaardisering &amp; uniformering, mechanisering &amp; kwantificering, blauwdrukken &amp; formats, groei &amp; grootschaligheid, kosten &amp; bezuinigen, regelgeving &amp; bureaucratie, kwaliteitszorg &amp; protocollen, rationalisering &amp; instrumentalisering. Het is het jargon van technocraten en MBA’s, van markt, productie en concurrentie. Naar aanleiding van deze typering is het dominante managementdenken te omschrijven als:<br />
´het denken en handelen van managers vanuit vooral het perspectief van de organisatiehiërarchie waarin zij de organisatie vooral bedrijfseconomisch benaderen en gericht zijn op vooral het voortbestaan, groei en efficiency van de organisatie door gebruikmaking van vooral kwantitatieve informatie met het oog op een gunstig imago van de organisatie.´<br />
Dit dominante managementdenken leidt tot beroepszeer en betwist vakmanschap: docenten raken in een spagaat tussen enerzijds het inhoudelijke onderwijswerk en anderzijds de managementaansturing vanuit de organisatie. Het dominante managementdenken is misschien te verklaren maar geldt deze verklaring nu ook als verontschuldiging? Is met andere woorden het dominante managementdenken te rechtvaardigen?</p>
<p><strong>Rawls en rechtvaardigheid</strong><br />
Bij het antwoorden op deze vraag is het lastig om niet in patronen te vervallen. Voor je het weet, redeneer je vanuit de belangen van de directie, het management of de docenten. Het leidt tot fatalisme, starheid of het voeren van een loopgravenoorlog. De kunst is de problematiek zo objectief mogelijk tegemoet te treden. En daarvoor is het werk van John Rawls en zijn theorie van rechtvaardigheid goed gebruikbaar. Bij de vraag of het dominante managementdenken te rechtvaardigen is laat ik mij inspireren door deze Amerikaanse moraalfilosoof. De belangrijkste overweging daarbij is dat Rawls in zijn conceptie van rechtvaardigheid, waarin hij de hoofdwaarden vrijheid en gelijkheid koppelt, expliciet subjectieve belangen en machtsposities niet mee laat wegen bij de vaststelling van rechtvaardigheid. Dit doet hij door, wat hij noemt, een sluier van onwetendheid te dragen. Door deze onwetendheid van allerlei subjectiviteiten (geslacht, sociale positie, huidskleur, intelligentie, welvaart, welzijn, etc.) is, zoals hij dat noemt, een ‘oorspronkelijke situatie’ te creëren. Door bij wijze van spreken de ‘onwetende’ burgers in een ‘oorspronkelijke situatie’ samen en in overleg te laten vaststellen welke de rechtvaardigheidsbeginselen zijn, wil Rawls een min of meer geobjectiveerde invulling van rechtvaardigheid realiseren.<br />
Rawls betrekt zijn rechtvaardigheidstheorie op maatschappelijke en politieke structuren van de samenleving. De uitdaging voor ons is zijn theoretisch kader toe te passen op het onderwijs. Vooral zijn noties over ‘de sluier van onwetendheid’ en ‘de oorspronkelijke situatie’ kunnen helpen bij het grondig analyseren van de onderwijsproblematiek.</p>
<p><strong>Rawls in onderwijsland</strong><br />
Gehuld in ‘een sluier van onwetendheid’ stellen we vast dat het hoofddoel van onderwijs gericht is op de kwaliteit van het onderwijsproces ten behoeve van de (beroeps)vorming van studenten en hun toegang tot de arbeidsmarkt. Deze stelling behoeft geen verdediging, wel een nadere uitwerking met het oog op ‘de oorspronkelijke onderwijssituatie’.<br />
Het onderwijs richt zich primair op het belang van studenten en daarom heeft de kwaliteit van het onderwijs de hoogste prioriteit. Bepalend voor die kwaliteit is:<br />
- de rol en kwaliteit van docenten.<br />
- de kwaliteit van de onderwijsinhoud: leerinhouden en leermiddelen<br />
- de kwaliteit van de onderwijsorganisatie en –management: de rol van bestuurders en onderwijsmanagers<br />
- de fysieke, facilitaire en infrastructurele randvoorwaarden van het onderwijs: de kwaliteit van de leeromgeving en de kennisomgeving<br />
- de kwaliteit en rol van (mede)studenten</p>
<p>Het werk van docenten en managers dient dus gericht te zijn op de beroepsvorming van studenten. In die zin zijn beide beroepsgroepen dienstbaar en dienstverlenend aan het primaire proces: het onderwijs voor studenten. Docenten hebben daarbij een eerste verantwoordelijkheid: zij vervullen als onderwijsgevenden een centrale rol in de onderwijspraktijk. Onderwijsmanagers opereren vooral voorwaardenscheppend, aansturend en faciliterend. Docenten vervullen dus een spilfunctie en vormen als zodanig de ‘strategic workforce’ (Biemans, 2007) in de onderwijsorganisatie; zij zijn primair bepalend voor de tevredenheid van de klant (student) en het succes van de organisatie.<br />
Des te nijpender doet zich nu de beschreven situatie gelden waarin docenten door onderwijsmanagers worden ontmoedigd. Als professional in het primaire onderwijsproces ervaren zij het dominante managementdenken als belemmering en dit komt de kwaliteit van het onderwijs en het belang van de student (waar het allemaal om te doen is) natuurlijk niet ten goede.</p>
<p><strong>De betekenis van Rawls</strong><br />
Klaarblijkelijk hebben we een filosoof als Rawls en een kunstenaar als Baumol nodig om terug te halen waar het in het onderwijs ‘in wezen’ om gaat: kwalitatief goed onderwijs voor studenten en niet om de onderwijs’killende’ efficiencyrompslomp eromheen. Mocht u nu denken: ‘nogal wiedes’ en ‘wat een open deur’ dan nodig ik u uit te luisteren naar de signalen en noodkreten uit de onderwijspraktijk over hogeschoolbestuurders die obsessief gericht lijken te zijn op zoveel mogelijk studenten en over onderwijsmanagers die proberen dat groeiproces en de grootschaligheid middels standaardisering, uniformering en cijferfetisjisme zo beheersbaar mogelijk te houden. Hoopvol is de uitspraak van minister Plasterk het onderwijs weer aan de docenten terug te willen geven en de rol en het aantal managers in te tomen.<br />
Ook voor andere sectoren kan Rawls veel betekenen door de vraag te stellen om welke basiswaarden het bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, het openbaar vervoer en de openbare veiligheid gaat en welke beroepsgroepen daarin een vitale rol spelen. Ook daar zijn de jammerklachten van gezondheidszorgverleners en agenten niet van de lucht. Rawls staat boven de partijen maar zijn aanpak is niet kleurloos en nodigt uit tot duidelijke keuzes voor de primaire dienstverlening (gezondheid, bereikbaarheid en veiligheid) en niet voor de organisatie eromheen.</p>
<p><strong>Fnuikend en funest</strong><br />
Aan de hand van de beroepspraktijk hebben we het beroepszeer in onderwijsland geïllustreerd. Om de patstelling tussen onderwijsmanagers en docenten over ‘wie het nu fout doet’ te doorbreken hebben we met de geobjectiveerde aanpak van Rawls laten zien dat het huidige dominante managementoptreden niet in het belang is van de student: de klant in het onderwijs. Terugredenerend naar ons praktijkvoorbeeld behoren docenten over adequate werkruimtes te beschikken om hun werk ten behoeve van de studenten (en hun eigen werkplezier!) goed te kunnen uitvoeren. Ook behoren zij studenten bij hun tentamens te begeleiden en geen goedkope inhuurkrachten. Goedkoop is duurkoop! De hamvraag of het dominante managementdenken in het onderwijs is te rechtvaardigen, is dus met ‘nee’ te beantwoorden. Het rationaliteitmanagement is fnuikend voor het competentiegericht onderwijs en pakt funest uit voor de student in het hoger onderwijs.</p>
<p>Zijn nu de onderwijsmanagers gebrandmerkt als de zondebok? Nee, in de regel zijn ook zij welwillende en hardwerkende mensen. Alleen zitten zij als middenmanagers teveel vast in het dominante organisatie-denken met zijn oriëntatie op bedrijfseconomische doelstellingen. Bovendien kunnen ook docenten van Rawls leren dat zij zich -onder de mom van professionele autonomie- niet moeten afschermen voor overleg en samenwerking met onderwijsmanagers en collega’s. In zijn rechtvaardigheidsconceptie past immers geen absolute vrijheid of autonomie, ook niet voor professionals.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.vanwoodman.com/www/2008/04/03/%e2%80%98het-dominante-managementdenken%e2%80%99-fnuikend-en-funest-voor-het-hoger-onderwijs-sjaak-toonen/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

