Onderstaande artikel werd op 16 januari 2009 gepubliceerd in het NRC. Een prachtige productie van Rijnalnd-Weblog deelnemers Piet Moerman en Mathieu Weggeman. Slechts één aantekening dient hierbij te worden gemaakt. Het Grote Rijnland Congres in 2007 werd georganiseerd door de Stichting Vanwoodman Society met medewerking van o.a. het Rijnland-Weblog en DeLimes Organisatieontwikkeling. Centrum De Baak heeft met de organisatie helemaal niets te maken! 

Het Anglo-Amerikaanse model staat op haar grondvesten te schudden. Om de actuele gebeurtenissen in de financiële en economische wereld te kunnen verklaren, moeten we teruggaan in de geschiedenis.
Door Piet Moerman en Mathieu Weggeman
Bij de Baak, het managementcentrum van VNO-NCW, vindt op 12 oktober 2007 het eerste Grote Rijnland Congres plaats. Het is georganiseerd door diverse groeperingen die hun gevoelens van ongenoegen delen over het functioneren van de huidige anglofiele maatschappij. Doel is een tegenbeweging naar Rijnlandse snit op gang te brengen. Men blijkt echter niet goed in staat dat ongenoegen te duiden. Het Rijnlandse of Europese model staat tegenover het Anglo-Amerikaanse als een zoekende psychotherapeut tegenover Dr. Phil; de psychotherapeut heeft zijn twijfels, mitsen en maren. Dr. Phil heeft en geeft zekerheid.
Eind 20e, begin 21e eeuw zien we dat continentaal Europa de Anglo-Amerikaanse ‘Leitkultur’ heeft omarmd. Niet omdat we veroverd zijn, maar door de sexy en daadkrachtige uitstraling ervan. Het continent heeft zich getransformeerd tot een kloon van die cultuur. Het Rijnlandse model, dat zich onderscheidt door de grote waarde die gehecht wordt aan maatschappelijke cohesie en vakmanschap, is na de Tweede Wereldoorlog langzaam maar zeker verdrongen door een Anglo-Amerikaanse stijl, die gebaseerd is op economische dynamiek en meer liefde voor het geld dan voor het vak. Economische wetenschappers worden rekenmeesters en toekomstvoorspellers, bedrijven hun enthousiaste volgelingen en politici zijn niet veel meer dan geïnteresseerde toeschouwers.
Het Europees erfgoed
Na de bevrijding bijna 65 jaar geleden, worden landen met amper een democratische traditie, zoals West-Duitsland en Italië, maatschappelijk en politiek omgebouwd volgens de regels van de Verlichting. Het oostelijk deel van Europa krijgt pas na 1989 toegang tot deze democratische gemeenschap. Tussen 1945 en 1989 heerst de Koude Oorlog, waarin de rode dictatuur de bruine en zwarte heeft afgelost. Opnieuw zorgen de Amerikanen ervoor dat het westelijk deel van het continent gevrijwaard wordt van een nieuwe dictatuur. Daarnaast hadden zij eind jaren ’40 de Marshallhulp ingesteld, waardoor West-Europa weer de kans krijgt om volwaardig aan de wereldhandel deel te nemen. De helpende hand van de Amerikanen is uitgebreid en genereus geweest. Het is daardoor dat op het continent het idee post vat dat de Anglo-Amerikaanse stijl gekopieerd moet worden. Het Rijnlands erfgoed wordt geleidelijk aan vergeten, terwijl de Amerikanen juist daaruit hun inspiratie hebben geput.
De scheiding der geesten
De Eerste Wereldoorlog – met daarna de crisis van 1929 – heeft Europa in grote verwarring achtergelaten. Er ontstaan allerlei revolutionaire en reactionaire stromingen, en velen zijn van mening dat het klassieke laissez faire kapitalisme heeft gefaald. Tegen die achtergrond komt in 1938 in Parijs een groep Amerikaanse en Europese liberale intellectuelen bij elkaar, op uitnodiging van Walter Lippman, schrijver van ‘Die Gesellschaft freier Menschen’. Lippman streeft naar een revisie van het liberalisme en zijn bedoeling is dat de geïnviteerde groep leiding gaat geven aan een vorm van liberalisme die zich onderscheidt van de compromisloze laissez faire opvattingen. De groep bestaat ondermeer uit Wilhelm Röpke, Friedrich von Hayek en Alexander Rüstow. Er wordt gediscussieerd over de naamgeving van de nieuwe richting en uiteindelijk besluit men ‘neoliberalisme’ als naam te aanvaarden. Door die discussie komen ook de eerste verschillen van mening tot uiting: Röpke en Rüstow behoren tot de groep denkers die aan de wieg hebben gestaan van het Duitse sociale marktmodel, het latere Rijnland-model. Terwijl Von Hayek en Friedman de grondslag leggen voor deregulering van de wereldeconomie, ofwel globalisering. De leden van de Lippman-groep zijn het wél met elkaar eens dat privé-eigendom en contractvrijheid wezenlijk zijn voor ondernemingen en voor het functioneren van vrije markten.
De rol van de staat
Marktwerking is essentieel voor een democratie. Daarover is men het ook eens, maar over de rol van de overheid bestaan grote controversen. Von Hayek wil de bevoegdheden van de Staat gelimiteerd zien tot het handhaven van de rechtsorde. Andere deelnemers, waaronder ook Rüstow, pleiten voor een sterke Staat en daarmee is de kloof tussen gematigde en radicale liberalen een feit.
Intussen is in 1948 in Duitsland, op instigatie van ondermeer Röpke, de grondslag gelegd voor een sociale, op marktwerking berustende samenleving. De radicale laissez faire variant van de marktwerking heeft wat meer tijd nodig, maar wordt in de jaren zestig definitief omarmd door de VS. Von Hayek’s boek ‘Verfassung der Freiheit’ uit 1960 en het twee jaar later verschijnende ‘Kapitalismus und Freiheit’ van Friedman hebben daar in belangrijke mate toe bijgedragen. De Nobelprijzen voor Von Hayek in 1974 en voor Friedman in 1976 getuigen van de dominantie van hun opvattingen in kringen van economen, politici en zakenmensen. Chili wordt het eerste grote experiment voor laissez faire. De sleutelwoorden voor dat experiment zijn volgens Naomi Klein: privatisering, deregulering en inkrimping van de sociale uitgaven. Ontplooiing van persoonlijke vrijheid en mensenrechten zijn geen issue. Het laissez-faire neoliberalisme is blijkbaar verenigbaar met een niet-democratische staatsorde. Later wordt dat in China en Rusland nog eens bewezen.
Europa gevangen in een nieuwe ‘Leitkultur’
De westerse maatschappij gelooft in de Trias Politica. Alleen de consequenties die eruit worden getrokken, zijn voor Rijnlanders en Anglo-Amerikanen verschillend. De Amerikanen definiëren met hun Bill of Rights van 1791 als eerste een moderne constitutie. In Europa, verloopt dat proces veel moeizamer. Pas na de val van de Muur ontstaat in de Europese Gemeenschap als geheel, een Trias Politica met een adequate scheiding der machten. Na de ondergang van het communisme wordt als leidende maatschappelijk principes vrijwel direct gekozen voor vrije markteconomie en democratie naar Amerikaans model – zij waren immers de overwinnaars. In 1957 had Karl Popper met zijn boek ‘Die offene Gesellschaft und ihre Feinde’ daar al het voorwerk voor verricht. Zijn ideeën werden door de intellectuelen rond Margareth Thatcher en Ronald Reagan al begin jaren tachtig panklaar gemaakt. Men kon er na de val van het communisme meteen mee aan de slag.
Zo zijn de Anglo-Amerikaanse en de Europese wereld begin jaren negentig uit elkaar gegroeid. Europa is in verwarring, oscillerend tussen Friedman en Keynes en heeft zich zelf een minderwaardigheidscomplex aangepraat. De Anglo-Amerikanen verkeren in de roes van de totale overwinning en van het eind van de geschiedenis (Fukuyama).
Voor de elite in Europa functioneert het schisma in de negentiger jaren als een splijtzwam. Men gaat overstag. Geld, roem, glans en machtsvertoon worden de bepalende grootheden waarmee de elites zich onderscheiden van de modale burger. Tijd voor reflectie is er niet. Dat is ouderwets en vertraagt. Om de zaak toch in het gareel te houden, bureaucratiseren we er lustig op los. Het oude continentale trio (meester, gezel, leerling) is verdwenen en een mysterieuze gast: de MBA heeft zijn intrede gedaan. Quasi religieus verpakte richtlijnen en procedures uit de economische-, management-, gedrags- en maatschappijwetenschappen, worden als zaligmakend over ons uitgestort. Deze regels van de MBA’s zijn prescriptief, eenvoudig en blaken van helderheid omdat alleen gemeten wordt wat gemeten kan worden. De stijl van deze nieuwe managers staat in schril contrast met de Rijnlandse traditie waarin twijfel, verwondering, bedachtzaamheid en wijsheid de boventoon voeren, zowel in het bedrijfsleven als in het wetenschappelijke discours.
Doorbreken van de impasse
Veertig jaar na Popper komt de socioloog Ralf Dahrendorf met gedegen kritiek op de nieuwe ‘Leitkultur’ die zich kenmerkt door markt- en globaliseringeuforie. Zijn drie belangrijkste punten zijn:
1. Marktwerking en globalisering bieden duidelijke voordelen voor de aandeelhouders, maar evidente nadelen voor de andere stakeholders die door anonieme kapitaalbezitters verslonden worden.
2. Marktwerking en globalisering bedreigen het democratisch proces. Immers, politiek is tot de landsgrenzen beperkt, economie gaat er overheen.
3. Er is niet één beste vorm van kapitalisme. De wijze waarop democratische spelregels, economische groei en sociale samenhang op elkaar zijn afgestemd, kan op meerdere manieren georganiseerd worden.
Momenteel zit de Europese ist-cultuur gevangen tussen de soll-cultuur van de Anglo-Amerikanen en die van het Islamisme. Om in de ‘Fights, games and debates’ terminologie van Rapoport te blijven, kun je stellen dat Europeanen debaters zijn die proberen te overtuigen met het in waarde laten van de opponent (win-win). Anglo-Amerikanen zijn gamers die – weliswaar met dezelfde Westerse spelregels – de andere partij onderliggend proberen te maken (win-lose). Islamisten zijn fighters zonder Trias Politica die weigeren om met onze cultuur echt te debatteren. De basis daarvoor ontbreekt omdat onze westerse postulaten en paradigma’s het op moeten nemen tegen Islamistische dogma’s.
Hoe nu verder? De radicalisering van het liberaliseringproces kent zijn grenzen. De zogenaamde open samenleving lijkt die natuurlijke grenzen nu overschreden te hebben, waardoor haar voortbestaan wordt bedreigd. De overheersende en verzelfstandigde instrumentele rationaliteit moet daarom weer ondergeschikt worden gemaakt aan een herstelde doel- en waardenrationaliteit. Ook Dahrendorf stelt dat sociale uitsluiting en gepersonaliseerde macht op grond van rijkdom, onacceptabel zijn. Wie alleen maar vrijheid wil, dient grote sociale en economische ongelijkheid te accepteren als de prijs die de maatschappij daarvoor betaalt.
Is Europa op dit moment bij machte om de gemoederen op één lijn te krijgen? Als we de laatste berichten goed interpreteren, tekent zich weer een tweespalt af. Ditmaal tussen enerzijds Frankrijk en Engeland als voorvechters van daadkracht, en anderzijds Duitsland dat kiest voor beheersing en ‘Mass und Mitte’.
Het is daarom tijd voor herintreding van het onlosmakelijke Rijnlandse trio: vrijheid, ordening en gemeenschapszin. Sinds de post-moderne nikserigheid is de vrijheid aan een alleingang begonnen en in omvang geëxplodeerd. Ordening en gemeenschapszin zijn van die explosie het slachtoffer geworden. Alles moet kunnen, anything goes. De huidige crisis toont eens te meer aan dat de Anglo-Amerikaanse maakbare soll-wereld van Dr. Phil, een illusie is. Wat er gebeurt, hangt af van de individuele burger, in zijn rol van consument, werknemer en ouder.
Daarom de aanbeveling om de balans weer meer in evenwicht te brengen door het stimuleren van Rijnlandse ordening en gemeenschapszin. Daardoor zullen we produktiever en beschaafder om kunnen gaan met de zich steeds weer, op een onvoorspelbare manier actualiserende ist-wereld. Niet investeren in nog ingewikkeldere hooggeleerde modellen, maar vertrouwen op de collectieve ambitie en het zelf-organiserend vermogen van een gemeenschap die door een reflecterende psychotherapeut wordt vergezeld.
Toen we onze oren nog niet zo naar de Anglo-Amerikaanse wereld lieten hangen, durfden we dat. Vraag is of we daar ook nu nog het lef voor hebben.
Piet Moerman is emeritus hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Mathieu Weggeman is hoogleraar Bedrijfskunde aan de Technische Universiteit Eindoven