Prof. Dr. Wilhelm Ropke, econoom van de menselijke maat
Piet Moerman , juli 2006
Professor Röpke leefde van 1898 tot 1966. Hij is samen met Friedrich von Hayek de oprichter van de Mont Pelerin Society ter verkondiging van het neo-liberale ideaal. Hij zoekt naar een tussenweg tussen de woekeringen van de sociale welvaartsstaat – die mensen lui en afhankelijk maakt – en de van bovenaf gereguleerde staatshuishouding, de zogenaamde Planwirtschaft die mensen elke vrije keuze ontneemt.
Hij is een voorstander van een marktgericht systeem, mits dit zorgt voort de menselijke maat. Laatstgenoemd begrip is de kern van zijn denken over economische processen.
Röpke heeft tijdens zijn verblijf in Zwitserland in de Tweede Wereldoorlog al gedachten ontwikkeld over de economische toestand van de wereld na de oorlog. Hij was de grote influisteraar van Adenauer en Erhardt, die Duitsland na de oorlog weer op de been moesten helpen. Omdat de economische, politieke en maatschappelijke processen in die hectische na-oorlogse periode niet alle goed op elkaar waren afgesteld, leidde dit tot verhitte discussies. Röpke is in Zwitserland blijven wonen. Hij was tot zijn dood verbonden aan het Institut Universitaire des Hautes Etudes Internationales te Geneve.
De opvattingen van Röpke zijn te talrijk om ze alle weer te geven. De belangrijkste zullen er worden uitgelicht omdat deze mijns inziens de wetenschapper Röpke het beste belichten. De onderwerpen zijn:
1. De menselijke maat
2. Markt en Marktwirtschaft
3. De sociale welvaartsstaat
4. De internationale ordening (met name Europese eenwording)
5. De derde weg
1. De menselijke maat
Röpke begint met drie begrippen, die volgens hem nauw met elkaar zijn verbonden:
• Vrijheid
• Ordening
• Gemeenschapszin
Voor hem staat vrijheid op nummer 1, maar wel met een duidelijk waarden– en normenbesef.
Het voortschrijdende individualisme en de massaliteit gaan volgens hem hand in hand. Hij constateert een ontvlechting van het sociaal-maatschappelijk weefsel en een verval van gemeenschapszin. Wij zijn massale stemburgers geworden, zonder een gemeenschap en sociale netwerken. Zowel de extreme rechten van het collectivisme als van het individualisme c.q. anarchie zijn verwerpelijk. Er is een duidelijke professionalisering en commercialisering van alle intermenselijke betrekkingen. Röpke ziet de samenleving van het avondland langzaam verbrokkelen. De gemeenschapspiramide stort in elkaar. De vereenzaming en atomisering van het individu zijn al bijna een feit geworden. Individuën springen zonder enige betrekking door elkaar heen; zij zijn een soort culturele nomaden geworden. Röpke zegt hierover letterlijk: ‘De samenleving schijnt slechts uit vrij zwevende individuën te bestaan, waarvan de samenhang steeds meer anoniem/mechanistisch op markt, concurrentie, arbeidsdeling, techniek en wetten berust. Enerzijds zijn wij enorm van elkaar afhankelijk, anderzijds zijn wij ontworteld en eenzaam’.
Röpke heeft de neiging het kleinschalige te idealiseren. Mijns inziens is hij zich daarvan zelf ook goed bewust. Maar zijn afkeer van ‘Vermassung’ is dermate groot dat er wel een ideaal moest worden gesteld.
2. Markt en Marktwirtschaft
Marktwirtschaft kan slechts gedijen als burgerlijke totaal-ordening, d.w.z. in een samenleving waarin de mens eigendom bezit, niet geproletariseerd is en nauwe banden heeft met zijn directe omgeving. Economische c.q. marktvrijheid is onverbrekelijk verbonden met vrijheid in moreel/politieke zin. Röpke is realist genoeg om in te zien dat marktwerking plaatsvindt in een ‘lauw klimaat’ zonder hartstochten, zonder enthousiasme, maar ook zonder misdadig gedrag. De zgn. democratie van de markt heeft veel schoonheidsfouten die om correctie vragen. Zij is echter wel in staat, van de klant een koning te maken. De overheid moet daarom achterwege laten om in te grijpen in het prijsmechanisme.
Zuivere marktwerking betekent dat de prestaties van de producent gewogen worden door de consument. Dat kan leiden tot het uitvallen van niet-adequate producenten. Marktwerking berust op twee pijlers, namelijk vrijheid van prijzen en concurrentie, maar ook op de vrijheid om privé-eigendom te hebben. Na deze lofzang op marktwerking komt Röpke met een paar belangrijke kanttekeningen. Marktwerking is een noodzakelijke, maar niet voldoende
voorwaarde voor een gelukkige, rechtvaardige en geordende samenleving. Zij heeft geen antwoord op alle economisch/maatschappelijke vragen.
Het ultra-liberale adagium dat markt en concurrentie alle noodzakelijke voorwaarden vervullen is wezenlijk fout.
De economische wetenschap moet een anti-utopistische, anti-ideologische wetenschap zijn. Door deze eigenschappen met een appel aan feiten en gezond verstand moet zij de temperatuur van de politieke hartstochten afkoelen.
Over de economische wetenschap zelf doet Röpke enige duidelijke uitspraken:
• Bij een maatschappijwetenschap als economie zijn waarde-oordelen onomkoombaar.
• De economische weternschap is echter geen vervanging van waarden en normen.
• Over-specialisatie leidt tot afstomping.
• De economische wetenschap is geen natuur-wetenschap (science), maar een zgn. geestes-wetenschap. Wiskunde kan gebruikt worden om zaken precies aan te duiden. Zij moet zich echter verre houden van onderwerpen die te maken hebben met morele en andere typische menselijke eigenschappen.
• De economische wetenschap mag ook niet geïnstrumentaliseerd worden (econoom als kringloop-ingenieur).
De zgn. vrije concurrentie kan slechts gedijen onder bepaalde waarden en normen, zakelijk fatsoen, loyaliteit, een faire toepassing van spelregels, arbeidsethos en een bepaalde beroepseer die bedrog, omkoping e.d. afwijst.
Röpke vindt medezeggenschap gevaarlijk, omdat het de marktordening in het hart treft. Met name waar het bij ondernemers gaat om het principe van de koppeling tussen risico en besluitvorming. De ondernemer is in zijn optiek de eerste dienaar van de markt. Hij heeft een belangrijke organisatie-functie om in de mistige, eigenlijk onvoorspelbare, wereld produktie en consumptie op elkaar af te stemmen. Hij moet daarvoor goed beloond worden, omdat hij grote risico’s kan lopen en daarom onmiddellijk wordt afgestraft. Daarnaast is de ondernemer pioneer en leider in die zin dat hij de produktiefactoren goed op elkaar afstemt.
Röpke ziet kapitalisme als een historische vorm van de marktwerkingsthese. Aldus is kapitalisme niet een bepaalde vorm van economische ordening, maar een bepaald maatschappelijk tijdvak voor wat betreft individualiteit, eenmaligheid en complexiteit. Marktwerking maakt slechts een klein deel uit van het maatschappelijk leven.
Mensen zijn niet alleen concurrenten, producenten, consumenten, zakenlui, aandeelhouders, spaarders en investeerders. Hij ziet twee typen marktwerking (Marktwirtschaft). Het ene heeft betrekking op een geatomiseerde, geproletariseerde en door massaliteit gekenmerkte en aan concentratie ten prooi gevallen samenleving. Het andere is een samenleving met grotere verbreiding van het eigendom, bestaanszekerheid en echte gemeenschapszin die grenzen stelt aan concurrentie en het prijsmechanisme. Hij waarschuwt voor een overdrijving van het concurrentieprincipe dat gebaseerd is op een rationalistische overdrijving van het egoisme en een bedenkelijke vorm van individualisme.
De cult van het kolossale is een andere hinderpaal voor marktwerking. Die impliceert dat groot ook beter en waardevoller is. Imperialisme, etatisme, mammoetindustrie en massaliteit van vermaak horen hiertoe. De crisis in het kapitalisme is eigenlijk een moreel/geestelijke crisis. De raderen van het economisch bestel draaien door, terwijl mensen de zin van de beschaving waarin zij leven niet meer begrijpen. Het laissez-faire principe van het klassieke kapitalisme gaat uit van non-interventie. Maar wij hebben te maken met een maatschappelijk bouwwerk, waarmee wij als burgers ons wel degelijk moeten bemoeien. Röpke wijst ons op de andere kant van vraag en aanbod, waarvan de zin, waarde en volheid van ons bestaan afhangen. Niet alles in het leven is te economiseren en te calculeren. De zedelijke grondslagen van het zakenleven zijn erg belangrijk. Markten, concurrentie en het spel van vraag en aanbod genereren die grondslag niet, maar kunnen ook niet zonder hen. Mobiliteit van arbeid en arbeidsdeling vragen een hoge maatschappelijke prijs, namelijk de prijs van ontworteling, ontheemding en vervreemding.
Hij komt tot de slotsom dat de economische geschiedenis van de voorbije twee eeuwen voorbeelden te over heeft van de blindheid van de liberalen voor het feit dat de markt niet sociologisch autonoom is, maar randvoorwaarden nodig heeft.
3. De sociale welvaartsstaat
De huidige welvaartsstaat is niet alleen een uitbouw van de oude voorzieningen die bij voorbeeld al door Bismarck (in Duitsland) in het leven waren geroepen. Zij is intussen een
instrument geworden van een sociale revolutie die opteert voor een zo volkomen mogelijke gelijkheid van inkomen en vermogen. Zij vervangt het menselijk medegevoel door afgunst.
Achter de coulissen van de sociaal/filosofische denkbeelden is een veldtocht gaande om alles wat qua opbrengst, inkomen, vermogen en prestaties het gemiddelde te boven gaat, de oorlog te verklaren.
We zien dat de Staat en de overheden mensen steeds meer de macht en de mogelijkheden ontnemen om hun inkomen naar eigen inzicht te besteden. De Staat wordt een zakgeldstaat. Deze ideologisch gefundeerde massa-verzorging leidt uiteindelijk tot een broekzak-vestzak-
maatschappij. Om die gelijkheid van inkomen en vermogen af te dwingen is een concentratie van macht nodig bij de Staat en de overheden. De verdeling van macht tussen burgers en de overheid wordt steeds meer ongelijk in het nadeel van de burger. De verlokkingen en het verlangen naar zekerheid bij het gros van de mensen kan een obsessie worden die uiteindelijk wordt betaald met vrijheid en menswaardigheid.
Röpke stelt vervolgens de retorische vraag: Kan het moderne systeem in de sociale welvaartsstaat met zijn mechanistische en gedwongen massa-verzorging een oplossing bieden voor verkommerde levensomstandigheden?
Zijn antwoord is duidelijk: Nog meer sociale verzekeringen, nog meer sociale bureaucratie, nog meer heen en weer schuiven van inkomens, nog meer plakken en stempelen, nog meer bijdragen aan fondsen, nog meer concentratie van macht, nationaal inkomen en verantwoording in de handen van de allesomvattende, regulerende, controlerende Staat. Dit alles heeft als enig duidelijk resultaat dat de proletarisering niet wordt opgelost, maar door centralisatie van de staatsmacht in het bijzonder de middenstand getroffen wordt.
Tevens kan worden waargenomen dat in de welvaartsstaat comfort hoger scoort dan vitaliteit. Ook probeert iedereen zijn handen in de zakken van anderen te steken. De stap waarbij de Staat zich uitdrukkelijk gaat bemoeien met de persoonlijke consumptie is dan niet meer zo ver. Eigenlijk wordt het individu genationaliseerd!
Röpke ziet de macro-economische wetenschap als de grote hulp voor de welvaartsstaat. De mathematisering van het totaal-denken (hij noemt dat ‘Totalquanten’) sluit de visie af op de innerlijke structuur van de maatschappij en de daar vigerende economische processen. Het is typisch technocratisch denken dat perfect past bij het megalomane van de sociale welvaartsstaat. Een andere zaak die wordt aangesneden is de welvaartsstaat als sorteer-machine, die jonge kinderen in een bepaalde opleidingsvorm probeert te persen. Dit kan voor zowel hoog- als laagbegaafden vervelende gevolgen hebben. Het linkse moralisme dat tegen de vrije samenleving is, gebruikt vaak de grote woorden als liefde, vrijheid en gerechtigheid als dekmantel voor het tegendeel.
4. De internationale ordening
Als we ons realiseren dat Röpke zijn commentaar schreef in het midden van de vorige eeuw, dan valt de actualiteit van zijn analyse des te meer op.
Hij begint met de essentie en het fundament van zijn redenering : ‘Wat hebben de mooiste plannen voor een internationale ordening voor zin, als het individu in verwarring is? Wat stelt het voor als de politieke, economische en sociale structuur niet aan de eisen van een internationale ordening voldoet? Kortom, wat is de betekenis als de morele, geestelijke, politieke, economische en sociale crisis van onze samenleving niet ten behoeve van de totale opbouw van individuën, familie, gemeenten en natie wordt overwonnen? Lijkt het er niet op dat wij het huis beginnen te bouwen bij het dak, in plaats van bij de fundamenten? Wat kun je onder die omstandigheden van internationale conferenties en conventies verwachten? Is dat uiteindelijk niet meer dan papiergeritsel en nietszeggend gepraat?’
Wat betreft de Europese eenwording, zien we de neiging om voor elk opdoemend probleem weer een supra-nationale regeling te treffen. Daarbij wordt impliciet verondersteld dat als het probleem niet op nationaal niveau kan worden opgelost, het dan maar supra-nationaal moet gebeuren.
Achter de coulissen van zogenaamde marktwerking spelen zich absurde bureaucratische processen af die de almacht van de Staat en de overheden al maar groter maakt. De belastingbetaler wordt uiteindelijk opgezadeld met de daaruit voortvloeiende kosten die moeten worden gemaakt voor de zogenaamde economisch/sociale zekerheid. In de optiek van Röpke is decentralisatie een wezenlijk kenmerk van de Europese geest. Het is een verraad aan het Europese erfgoed om een centraal blok te maken met een plan-achtige bureaucratie, om zo te komen tot een gesloten systeem (fort Europa). Wij moeten vermijden dat er een soort nationalisme op Europees niveau ontstaat. Het retorische ‘Europadom’ heeft geen echte wortels.
Als Europa niet in staat is om een hoge mate van monetaire discipline te bereiken, komen wij als totaliteit in de gevarenzone: een ziek Europa.
Europa moet zich realiseren dat een gemeenschappelijke cultuur een waarde- en gevoelssysteem heeft dat zeer gedifferentieerd is. Dus geen centralistisch verhaal, maar eenheid in veelvoud is ons motto.
5. De derde weg
Röpke keert zich af van de planeconomie – in welke vorm dan ook – omdat die de vrijheid en zelfbestemming van het individu in het hart raakt. Inzake de zgn. markteconomie (Marktwirtschaft) is hij positief in die zin dat hij de combinatie van vrijheid, ordening en vooruitgang belangrijk vindt. Maar, stelt hij, onder verwijzing naar de grote crisis in de dertiger jaren, ons marktsysteem is uitermate labiel. Hij vindt echter dat men dat systeem niet de schandknaap mag laten zijn van de falende politieke systemen in de eerste helft van de 20e eeuw. Bij een nadere analyse van die gebeurtenissen komt hij tot de conclusie dat de structuur van de vrije markt samenleving niet zo eenvoudig in elkaar zit als door voor- en tegenstanders van het systeem wordt beweerd. Marktwerking wordt sterk beïnvloed door factoren uit de psychologie, recht, economie, moraliteit en politiek. Om als het ware het pad van de derde weg te effenen moeten de gecompliceerde achtergronden van het marktsysteem ontrafeld worden. Waar Röpke naar toe wil is een weg met menselijke maat en proportie. Nu is er sprake van een cult van het kolossale, centralisering, over-organisatie, bureaucratie en standaardisering en niet te vergeten het pseudo-ideaal van nog groter en beter. Waar hij eigenlijk op wijst (maar niet met name noemt) is dat de positieve moderniteit, voortvloeiend uit de Verlichting, dreigt vast te lopen in een cynisch post-modernisme, dat Max Weber ziet als de oorzaak van de onttovering van de samenleving.
Röpke stelt dat de Westerse wereld inzake het economisch en maatschappelijk systeem van het markt-conforme kapitalisme een viertal vragen moet beantwoorden met een geheel eigen karakter.
De ordeningsvraag
De nieuwe oriëntering, die de derde weg wordt genoemd, onderkent twee zaken:
- De socialistische aanpak van een staats- c.q. overheidsdirigisme leidt tot verstarring.
- De klassieke kapitalistische aanpak heeft teveel evenwichtsproblemen.
Er moet dus een natuurlijke ordening komen die zorgt voor:
- vaste randvoorwaarden van het vrije marktsysteem;
- een gezond geldsysteem en een verstandige kredietpolitiek;
- een goed doordacht geldsysteem dat excessen, misbruik en
oneerlijk gedrag tegengaat.
De sociale vraag
Met ordening in bovengenoemde zin zijn we nog niet klaar. Immers, in een marktsysteem kan door de onvolkomenheden een probleem gaan ontstaan voor de echte onderklasse. Zonder in betutteling te vervallen is hiervoor wel een uitgebalanceerde sociale politiek nodig.
De politieke vraag
Deze houdt zich bezig met de machtsverdeling. Eigenlijk zal een marktsysteem dit al voor een deel oplossen, indien er echte concurrentie bestaat die geen economische e/o politieke machtsposities toestaat (pareto-optimaliteit).
De moreel/vitale vraag
Deze draagt een typisch Röpke-stempel. Hij stelt dat een goed geordend marktsysteem belangrijk is. Het is echter minstens zo belangrijk, zich af te vragen of de mensen moreel en geestelijk in goede staat verkeren, omdat dit de zin van een gelukkig leven uitmaakt. Hij voegt eraan toe dat materiele goederen natuurlijk onontbeerlijk zijn, maar wel een middel. Het doel is echter een zinvol leven. Dat doel wordt in hoge mate bedreigd door proletarisering, depersonalisering en massa-cultuur. Sommigen verwerpen daarom het marktsysteem, maar dat is volgens Röpke niet juist, omdat dit systeem weliswaar niet de oplossing biedt, maar wel de randvoorwaarden.
Epiloog
In de epiloog is het de moeite waard Röpke’s mening weer te geven over de academische massaproduktie. Hij stelt de in de stilte van zijn studeerkamer werkende en denkende onderzoeker tegenover de geïnstitutionaliseerde onderzoekscholen die zich gedragen als
colchosen van de wetenschap. Deze mening – ruim een halve eeuw geleden geventileerd – komt aardig overeen met de huidige kritiek die wordt geleverd op de maatschappij-wetenschappen die steeds meer religieuze trekken beginnen te krijgen. Tot slot kan worden opgemerkt dat Röpke in zijn geschriften meer vragen oproept dan beantwoordt. Hij is typisch een onderzoeker uit het Duitse cultuurgebied met veel mitsen en maren. Dit sluit goed aan bij de uitspraak van de grote Duitse dichter Von Goethe: ‘Man weiss nur wenn man wenig weiss; mit dem Wissen wächst der Zweifel’….. Deze houding staat lijnrecht tegenover die van de ‘Americanissimi’ (uitdrukking van Röpke) die in hun colchosen van de wetenschap met veel aplomb op zoek zijn naar de Heilige Graal, waarbij de overeenkomst met het bekende verhaal erg groot is.
Ons realiserend dat de colchosen van Röpke in ca. 50 jaar tijd geëvolueerd zijn naar religieuze gemeenschappen, is het de moeite waard deze epiloog te besluiten met enige pregnante citaten:
• Martinus Veltman, de Nobelprijswinnaar fysica 1999, stelt in ‘Filosofie Magazine’ (3/2006): ‘Zodra wiskunde losraakt van de gemeten werkelijkheid, wordt ze religie …… Wat doen mensen bij gebrek aan bewijs? Zij benoemen een hogepriester en verklaren die onfeilbaar. Hij zegt wat waar is en niet waar’. (Met andere woorden: wat binnen de dogmatiek van het geloof valt).
• Naadloos sluit hierop aan de uitspraak van John Kay in The Financial Times van 23 mei 2006: ‘Conflicting opinion is what drives scientific advance’. Hij voegt eraan toe de opmerking: ‘The people to decide whether astrology is good astrology, are other astrologists. But they are not the people to decide whether astrology itself is any good. Judgement of scholarly research can never be left to professionals and scholars alone.’
Röpke zou met deze uitspraken uitermate verheugd zijn. Onze Minister van Onderwijszaken, die Talpa-achtige Idol-verkiezingen proclameert, zal minder gecharmeerd zijn.
Aanbevolen literatuur
• Die Lehre von der Wirtschaft
• Die Gesellschaftskrisis der Gegenwart
• Civitas Humana, Grundfragen der Gesellschafts- und Wirtschaftsreform
• Internationale Ordnung – heute
• Masz und Mitte
• Jenseits von Angebot und Nachfrage

