Gevangen door verhalen – Kiki Verbeek
Inleiding
Vanwoodman’s Kennis & Kunst staat vandaag in het teken van narrativiteit: een dag met als titel ‘Gevangen door verhalen’. Gevangen zijn door verhalen: is dat positief? Worden we opgevangen door verhalen? Zijn we er zacht in neergekomen? Zijn we gevangen in de zin van zo onder de indruk dat we niets anders meer willen dan verhalen? Of is het tegendeel het geval? Zijn we in de macht van verhalen, en daarom gevangen? Hebben verhalen ons van onze vrijheid beroofd? Zijn we beetgenomen, vastgegrepen? Worden we aan alle kanten omsloten?
In verhalen drukken mensen hun kennis, ervaring en ideeën uit. Je kunt mensen leren kennen door te luisteren naar de verhalen die ze vertellen. Als je kijkt naar de inhoud van een verhaal kun je thema’s ontdekken die de verteller bezighouden. Minstens zo belangrijk is de vorm waarin iemand een verhaal vertelt. Taal is een machtig instrument. Woordkeus, volgorde, opbouw: het kan vanalles vertellen over de spreker. Door zijn taalgebruik kan een spreker tegenover een goede luisteraar meer van zichzelf onthullen dan hem lief is. Uit taal kan bijvoorbeeld onzekerheid spreken, onervarenheid of zelfoverschatting. Andersom kan ook: een goede spreker kan met zijn taal de luisteraar manipuleren door bepaalde beelden, betekenissen en verbanden op te roepen en zo op geraffineerde wijze invloed uitoefenen. Een spreker kan bijvoorbeeld onterecht een deskundige indruk maken slechts doordat hij het vermogen bezit met zijn taal deze indruk bij de luisteraar op te roepen.Het woord heeft de macht en de verhalenvertellers ook. De meeste mensen hebben behoefte aan de ordening en structuur die een verhaal kan bieden. Aan de hand van verhalen kun je je identiteit opbouwen. Maar het kan lastig zijn je eigen formuleringen te vinden en het is makkelijk elkaar na te praten. Je kunt er volgens mij dan ook niet op rekenen dat mensen zonder meer hun eigen verhaal vertellen als je ze vraagt dat te doen. Dat is wel een probleem, want wat betekent dat voor hoe we naar elkaar kunnen luisteren? Wat is de waarde van mijn verhaal als ik beïnvloedbaar ben? Of als ik graag een bepaalde indruk van mezelf bij u achterlaat en over het vermogen beschik dat op een onopvallende manier te doen? Welke betekenis kunt u hechten aan mijn verhaal als ik geïndoctrineerd ben? Taal kan dus niet alleen de luisteraar in zijn macht hebben, maar ook de spreker.Kunst
In 1967 schreef de Oostenrijkse schrijver Peter Handke het toneelstuk ‘Kaspar’. Handke verwijst met dit stuk naar de historische figuur Kaspar Hauser, de jongen die op zestienjarige leeftijd opdook uit eenzame gevangenschap en toen moest leren lopen, praten, lezen en schrijven. Handke heeft de figuur Kaspar in dit stuk geïsoleerd van de rest van zijn geschiedenis en zich uitsluitend geconcentreerd op zijn taalontwikkeling. Dat heeft een fascinerende theatertekst opgeleverd. In een artikel over ‘Kaspar’ heb ik eens gelezen dat het stuk gaat over hoe de macht van het benoemen gemakkelijk tot onrechtmatige toe-eigening leidt. De macht van het benoemen leidt gemakkelijk tot onrechtmatige toe-eigening: bij deze opvatting wil ik graag even stilstaan. De macht van de taal heeft te maken met een van de functies van taal die benoemen heet. Veel mensen kennen het gevoel van opluchting als je iets wat je al een tijd bezighoudt, hebt uitgesproken of opgeschreven. De opluchting die je op zo’n moment voelt, heeft te maken met het opgeruimde karakter van een benoeming: als je eenmaal hebt bepaald hoe iets in elkaar zit en er woorden aan hebt gegeven, kun je het loslaten. Door het vinden van woorden voor jouw werkelijkheid, creëer je een soort waarheid. Dat deze talige waarheid net zo willekeurig of net zo feilbaar kan zijn als de diffuse gedachte die je had vóórdat je er woorden aan gaf, wordt meestal gemakshalve terzijde geschoven. Een gedachte of gevoel wordt in de ogen van de wereld geboren op het moment dat er woorden aan worden gegeven. Een ander aspect aan de stelling dat de macht van het benoemen gemakkelijk tot onrechtmatige toe-eigening leidt, is die onrechtmatige toe-eigening. Mensen die op het juiste moment de juiste woorden kunnen vinden, hebben de touwtjes in handen. Door een uitspraak over iets te doen of een oordeel over iets te geven, trek je datgene naar je toe en neem je het als het ware in je bezit. Dat dit bezit onrechtmatig kan zijn, is denkbaar: goed formuleren is namelijk niet hetzelfde als weten hoe iets zit, of zorgvuldig hebben onderzocht waar iets uit bestaat. Zo vorm je de werkelijkheid door middel van een goede formulering van die werkelijkheid. George Orwell voert dit concept ver door in zijn roman ‘1984’, waarin hij de fictieve taal ‘Newspeak’ introduceert. Newspeak is in dit boek de officiële taal van de inwoners van Oceanië en staat volledig in dienst van de ideologie van de communistische totalitaire staat. De taal is nauw verwant aan het Engels, maar heeft een sterk gereduceerde woordenschat en een versimpelde grammatica. Het totalitaire regime van Oceanië zorgt ervoor dat ontwrichtend gedachtegoed geen kans maakt door in Newspeak de taal waarin dit kan worden uitgedrukt onmogelijk te maken. Risicovolle woorden zoals ‘revolutie’ of ‘vrijheid’ bestaan gewoon niet en daarmee zijn ook de concepten verdwenen. Zo simpel is het: dat waar geen woord voor is, is er niet. Terug naar Kaspar: Kaspar die plotseling opduikt in het Duitse Neurenberg is al bijna volwassen, maar hij heeft nog niet kennis gemaakt met de wereld. Kaspar heeft geen benul van het dagelijks leven, hij heeft geen concepten waarmee hij naar de wereld kan verwijzen en hij heeft geen woorden waarmee hij eventuele concepten tot uitdrukking kan brengen. Kaspar dwaalt stuurloos en doelloos rond tussen mensen die hem vreemd zijn, in een wereld die hem onbekend is. Wat Kaspar mist, is een verhaal. Hij heeft geen verhaal over zichzelf en geen verhaal over zijn omgeving. En als hij al een verhaal zou hebben, dan zou hij dat bij gebrek aan taal niet kunnen overdragen aan de artsen, wetenschappers en journalisten die hem dag en nacht observeren. Kaspar gedraagt zich in de ogen van de wereld als een wild dier. In mijn inleiding stelde ik de vraag hoe we naar elkaar kunnen luisteren als we er niet zonder meer vanuit kunnen gaan dat we elkaar onze eigen verhalen vertellen. Waar bestaat dat uit: mijn eigen verhaal? Is dat het verhaal dat voor mij uitdrukt hoe ik de wereld zie? Is dat het verhaal dat ik ten diepste begrijp? Is dat het verhaal dat mijn waarheid verwoordt? Is waarheid iets wat ik zal herkennen als ik deze hoor? Kaspar weet van niets iets. Kaspar moet vanalles leren, vindt men. Kaspar krijgt allerlei uitspraken over zich heen gestort en hij wordt verondersteld daaruit een werkelijkheid op te bouwen. Tot wat voor soort werkelijkheid leidt dat? Kaspar is een zelfstandige denker, maar eigenzinnig, ontoegankelijk en moeilijk te volgen. De mensen kunnen hem niet begrijpen. Ze willen een naprater van hem maken en dat gaat ten koste van zijn eigenheid. Hoe kun je iets leren van anderen? Alleen door zelf na te blijven denken. Kun je je denken ontwikkelen zonder taal? Nee. De mensen leren je de taal, vervolgens ontwikkel je je denken met behulp van die woorden en bijbehorende concepten en daarna moeten de taal en het denken een kritische samenwerking aangaan. Dat gaat niet vanzelf. In 1833, vijfeneenhalf jaar na zijn plotselinge verschijning, komt Kaspar Hauser op gewelddadige wijze om het leven. Wat rest is zijn verhaal, of beter gezegd: de verhalen over hem.
Kennis
Mensen vertellen elkaar verhalen. In de kunst worden verhalen verteld. In de wetenschap worden verhalen verteld. In het bedrijfsleven worden verhalen verteld. Het vertellen van verhalen is een manier om de wereld te ordenen. Elke ordening is een ordening vanuit een bepaald perspectief. Verschillende perspectieven leiden dan ook tot verschillende verhalen. Daarom zeggen sommige mensen: “Alles is betrekkelijk”. Andere mensen zeggen: “Niets is zeker”. “Wat wij zeggen, is waar”, zeggen weer anderen. Dit zijn de woorden van respectievelijk de relativisten, de sceptici en de dogmatici. In deze tijd wordt het ouderwets gevonden over waarheid te spreken. We zijn ons te zeer bewust van de overweldigende hoeveelheid en diversiteit aan verhalen en van de lastige vragen die zich voordoen bij het maken van onderscheid. Er lijken steeds meer verhalen in omloop. Wat is het verband tussen de verschillende verhalen? Is er een overkoepelend verhaal te vertellen? Welk verhaal past bij mij? Welk verhaal kan ik volgen? Welk verhaal is waar? Welk verhaal doet recht? Welk verhaal is mooi? Relativerend noemen sommige mensen tegenwoordig vanalles verhalen: theorieën zijn verhalen, geschiedenissen zijn verhalen, religies zijn verhalen. Mijn verhaal is mijn verhaal en jouw verhaal is jouw verhaal. Alles lijkt aanvaardbaar zolang iedereen niet meer dan zijn eigen verhaal vertelt. Maar is dat wat we elkaar te bieden hebben? Zo vrijblijvend kan het toch niet zijn. Nemen we genoegen met het elkaar vertellen van verhalen? Ik wil graag een wijzer mens worden van de verhalen die ik hoor. Wat is dan de plaats van kennisverwerving in verhalen? Ook wil ik graag een idee krijgen van wat waar is en wat onwaar, wat goed is en wat slecht. Wat is dan de plaats van waarheid of rechtvaardigheid in de verhalen die we elkaar vertellen? In de oudheid hadden de sceptici een radicale oplossing bedacht om aan deze lastige vragen te ontsnappen. Scepticus Pyrrho – het opperhoofd van de beweging – had de gewoonte zijn omgeving onophoudelijk te confronteren met het feit dat de dingen in de wereld wel eens anders zouden kunnen zijn dan ze lijken. Pyrrho stond erom bekend dat hij nooit de waarheid of de onwaarheid, de goedheid of de schande van iets bevestigde of ontkende: hij schortte zijn oordeel op. Dat betekende dat hij niets uit de weg ging en nooit voorzorgsmaatregelen nam: hij trad alle risico’s in het leven moedig tegemoet en hij aanvaardde deze zoals ze op hem afkwamen. Of het nu ging om een paard en wagen dat plotseling zijn pad kruiste, een steile afgrond vlak langs de weg waarop hij liep of een groep wilde honden die op hem af renden, het raakte hem niet. Hij schonk er simpelweg geen aandacht aan omdat hij niets wilde overlaten aan wat hij beschouwde als de willekeur en de grilligheid van zijn zintuiglijke waarneming. Als hij bijvoorbeeld richting een afgrond liep, dan zag hij diepte onder zich. Maar omdat hij de mogelijkheid wilde openhouden dat hij niet viel als hij van de klif stapte, liep hij door. Pyrrho handelde niet uit onverschilligheid; hij zag alleen geen reden te geloven dat hij waarnam wat hij waarnam. Dankzij zijn vrienden die hem voor talloze fatale ongelukken hebben behoed, is Pyrrho bijna negentig jaar oud geworden. Een opmerkelijke prestatie voor een radicale scepticus, zeker in die tijd.U zult begrijpen dat Pyrrho in zijn lange leven weinig verhalen heeft verteld. Een leven zonder overtuigingen was volgens hem de meest begerenswaardige vorm van leven en zonder overtuigingen maak je natuurlijk geen interessante verhalen. Pyrrho ervoer gedurende zijn leven een sterke vorm van gemoedsrust: hij was onverstoorbaar. Volgens Pyrrho zal een ieder die weigert zich over wat dan ook uit te spreken en door het leven durft te wandelen zonder ergens geloof aan te hechten, deze gemoedsrust verwerven. Maar willen wij ons wel onthechten van elke verwachting en elke aanname in ons dagelijks leven? Stelt u zich voor dat u elke keer dat u een deur opent, er rekening mee moet houden dat er geen bodem ligt in de ruimte die u binnenstapt. Kunt u ermee akkoord gaan nergens een standpunt over in te nemen? Als gedachtenexperiment is het interessant, maar in de dagelijkse praktijk niet erg realistisch. Wel is Pyrrho’s radicale levenshouding een goede uitdrukking van een volgens mij belangrijk perspectief op de omgang met de veelheid aan verhalen om ons heen: enerzijds streven we naar dat ene ware, juiste, mooie verhaal – net als Pyrrho zijn we op zoek. En anderzijds leven we met het niet-vervuld zijn van dit streven – net als Pyrrho gaan we door met zoeken. Sommigen leren in dit niet-vervuld zijn zelfs te berusten en worden net als Pyrrho onverstoorbaar, maar niet gedemotiveerd. De zoekende houding is een houding die zorgt dat je lang in beweging blijft.Kennis en zekerheid zijn verschillende zaken. Pyrrho wist het al eeuwen voor de jaartelling begon, maar hij heeft geen grote groepen kunnen mobiliseren voor de radicale consequenties die hij eraan verbond. In de twintigste eeuw hebben de wetenschapsfilosofen Popper en Kuhn zich over vergelijkbare fundamentele kwesties gebogen en zij kwamen gelukkig met een wat beter na te volgen manier van omgaan met kennis en zekerheid. Voor Popper bestaat zowel het leven als de wetenschap uit het oplossen van problemen. Als je op een probleem stuit, dan moet je een oplossing verzinnen en vervolgens moet je deze oplossing testen. Definitieve verhalen bestaan niet en dus ook dat ene ware, juiste, mooie verhaal bestaat niet. Je zou kunnen zeggen dat volgens Popper de waarheid van een verhaal bestaat uit de herhaalbare toetsbaarheid ervan. Wetenschapsfilosoof Kuhn heeft op zijn beurt, enkele decennia na Popper, de invloed van contextuele factoren benadrukt. Volgens Kuhn kan kennis niet groeien in de richting van een steeds betere benadering van waarheid omdat er geen gemeenschappelijke maat is waarmee deze kennis kan worden beoordeeld. Vertaald naar het vertellen van verhalen betekent dit dat we er goed aan doen elk verhaal in zijn eigen context te beoordelen.
Wanneer je de radicale sceptische aanpak van Pyrrho hebt uitgeprobeerd, de standpunten van de relativisten en de dogmatici hebt aangehoord, de lessen van Popper en Kuhn op je in hebt laten werken en je een voorstelling hebt gemaakt van het drama van Kaspar, lijkt het tijd voor een plan van aanpak. Hoe wil ik omgaan met de verscheidenheid aan verhalen die er in de wereld worden verteld en hoe bepaal ik mijn eigen standpunt ten opzichte daarvan? Het lijkt mij goed het beste van de drie werelden te combineren: wanneer je naar een verhaal luistert, hanteer dan enig scepticisme in de zin van een houding van kritiek en openheid, hanteer daarnaast enig relativisme in de zin van grenzen stellend aan de reikwijdte van de toepasbaarheid van het verhaal en hanteer tot slot enig dogmatisme in de zin van vertrouwen dat een streven naar het ware, juiste en mooie je best verder kan helpen wanneer je je afvraagt hoe betrouwbaar een verhaal is. Verhalen ontstaan binnen een bepaald kader en met een bepaald doel voor ogen. Verhalen zijn nooit algemeen geldig of voor altijd waar. Elk verhaal vereist zijn eigen specifieke contextuele rechtvaardiging en daardoor kan elk verhaal dan ook slechts een beperkte toepassing hebben. Bovendien veranderen de normen die toegepast moeten worden bij de beoordeling van een verhaal. Het ontwikkelen van kennis bestaat volgens mij uit het op gang houden van het vertellen van verhalen en het kritisch gesprek of de kritische discussie daarover. Het wordt er allemaal niet eenvoudiger op, maar gelukkig blijkt Pyrrho’s opschorting van het oordeel niet de enige manier waarop recht kan worden gedaan.
Tot slot
Hebben wij behoefte aan kennis? Ja. Hebben wij behoefte aan kunst? Ik denk het wel. Wie zal het hoofd, het hart en de buik met elkaar verbinden als er geen kunstenaars zijn? We hebben behoefte aan verbinding van de verschillende aspecten van het leven, ik ten minste wel. En dan ook nog graag in een goede vertaling: in een vorm die ik ten minste intuïtief herken, in een vorm die schoonheid brengt, in een vorm die houvast geeft en daarnaast voldoende open plekken biedt voor mijn persoonlijke associaties. Kennis en kunst zijn niet te scheiden. Kennis heeft een vertaling nodig om zichzelf toegankelijk en communiceerbaar te maken: kennis heeft een vorm nodig die mensen aanspreekt. En kunst heeft op haar beurt kennis nodig: om zichzelf in een brede context te kunnen bekijken, zichzelf te relativeren en op waarde te schatten. Toch blijven kennis en kunst helaas vaak gescheiden werelden die elkaar slechts zijdelings van dienst zijn.
Degene onder u die in staat is de gouden brug te slaan tussen kennis en kunst wil ik vragen mij straks even persoonlijk aan te spreken. Is er een manier om het keurslijf van kennis te respecteren en te gehoorzamen en je er tegelijkertijd uit te bevrijden om vervolgens een duikvlucht te maken in de vrije ruimte van de kunsten waar je de twee werelden met elkaar verbindt op een manier die evenveel recht doet aan beide? Ik wil het graag weten. Ik probeer hoofd, hart en buik al een aantal jaren met elkaar te verbinden, maar kom steeds weer uit op constructies waarin de een de andere twee domineert of waarin ik een van de drie onderweg blijk te hebben verloren.
Vorig jaar heb ik het toneelstuk ‘Olympia’ geschreven, in opdracht van de Haagse theatergroep Noordvolk. Zij hebben het stuk uitgebracht onder de titel ‘Liggend naakt bij staande schemerlamp’. Straks, na het eten, gaan we met elkaar naar de voorstelling kijken. Het is een verhaal over Olympia, de vrouw uit het gelijknamige schilderij van Edouard Manet uit 1863 en de suppoost van het museum waar het schilderij hangt. Voor sommigen is het een verhaal over de liefde tussen een man en een vrouw, voor anderen gaat het over intimiteit, voor weer anderen is het een verhaal over emancipatie, of over seksuele emancipatie, of over gevangenschap, of over het verlangen naar iets wat je niet kunt krijgen. Dat is allemaal waar, al die thema’s blijken in het stuk te vinden te zijn, het is maar vanuit welk perspectief je kijkt. Nooit eerder heb ik zo duidelijk ervaren hoe één verhaal verwordt tot tientallen verhalen. Het perspectief van waaruit je kijkt, is de aanzet tot een nieuw verhaal dat een variant vormt op het oorspronkelijke. Van al die thema’s en betekenissen die ik van mensen heb teruggekregen, kan ik maar van één of twee zeggen dat ik deze bewust in het verhaal heb verwerkt. Sterker nog: ik wist niet eens dat deze thema’s erin zaten, laat staan dat ik ze erin heb gestopt tijdens het schrijven. Zo werkt dat niet. Ik mag dan wel een verhaal hebben gecreëerd, maar dat betekent niet dat ik me bewust ben van de thema’s en betekenissen die ik met dit verhaal overdraag. Iedereen heeft een ander nodig om zijn eigen verhaal te kunnen interpreteren. Je bent nooit klaar met het vervolmaken van je verhaal: elke dialoog en elke discussie over dat verhaal leidt weer tot een aangepaste versie. Dit gegeven is volgens mij waar, juist én mooi tegelijk. Dit is geen relativisme, dit is geen scepticisme, dit is geen dogmatisme. Dit is luisterend, vertellend en herformulerend in beweging blijven en dat is wellicht het beste dat we met elkaar kunnen doen.
Kiki Verbeek, september 2006

