Mijn dochter houdt van goudvissen en omdat mijn dochter van goudvissen houdt,
houd ik ook van goudvissen, maar verder heb ik er eerlijk gezegd niet veel mee. Of
liever gezegd, verder hoef ik niet naar het visbeest in die kom helemaal aan de andere
kant van het aanrecht, vervaarlijk dichtbij de afvalbak, te kijken. Ik wil u gaan
uitleggen hoe dat komt.


Een en ander heeft natuurlijk met glas te maken. Goudvissen zitten opgesloten in
glas. Dat moet te denken geven. We zijn hier in een gebouw met veel glas, en over
glas wil ik het dus met u hebben. Een beetje uit de losse pols, een beetje filosofisch.
Dat is niet raar voor een filosoof, want filosofen zijn altijd gefascineerd geweest door
glas. Hoe komt dat? Filosofen zijn, zoals u weet, niet geïnteresseerd in praktische
oplossingen, maar in de onoplosbare problemen die we kennen als paradoxen. Glas is
bij uitstek paradoxaal: het beschermt en is breekbaar tegelijk, het maakt doorzichtig
maar juist ook onzichtbaar, het isoleert maar laat tezelfdertijd door. Omdat filosofen
zich bij voorkeur vermeien in het doordenken van paradoxen, moet glas wel een
thema worden. Geen filosoof die niet heeft nagedacht over glas. Er zijn er zelfs die er
hun beroep van gemaakt hebben. Uiteindelijk valt er, als je alleen maar filosoof en
helemaal niets anders bent, geen droog brood aan de wijsbegeerte te verdienen. Je
zou je leven beter kunnen slijten als bijvoorbeeld een glazenslijper. Spinoza, de
grootste filosoof die dit land ooit heeft voortgebracht, heeft aan die glasslijperij zijn
glasheldere filosofie te danken.
Nu ben ik, dames en heren, een filosoof van aanzienlijk minder allooi en ook nog
eens één die ooit eens besloten heeft zich bezig te houden met onfilosofische zaken
als organisatie en management. Dat levert me bepaalde moeilijkheden op, want de
wereld van organisatie en management stond lange tijd onder het teken van een
element dat heel iets anders is dan glas. Dat element is ijzer. Bureaucratieën zijn door
niemand minder dan Weber, de grote Duitse socioloog, aangeduid als stahlharte
Gehäuser. Doordat de Engelsen, die doorgaans geen verstand hebben van andere
talen dan hun eigen taal, dit vertaalden met ‘iron cage’ is het beeld van de ijzeren
kooi populair geworden.
Toch is een bureaucratie volgens Weber iets anders dan een ijzeren kooi. In een
bureaucratie zijn mensen niet als vogeltjes die gevangen worden gehouden. De
bureaucratie doet meer dan mensen alleen maar gevangen zetten. Nogmaals, het gaat
om een huis zo hard als staal. Je woont in dat huis, misschien kun je inderdaad
zeggen dat je erin gevangen zit, maar als je het daarbij laat, vergeet je dat het ook
gaat om een huis dat je meesleept, een beetje zoals een slak zijn huisje meesleept.
Maar wat sleept de bureaucratische slak eigenlijk mee als hij een huis zo hard als
staal met zich meesleept? Hij sleept iets mee dat ook onderdeel van hemzelf is
geworden. Het beeld van de ijzeren kooi is fout, omdat het veronderstelt dat het
vogeltje een vreemde is in zijn kooi of, liever gezegd, dat het vogeltje eigenlijk
zonder zijn kooi zou kunnen. Het beeld van het ijzeren slakkenhuis laat zien dat de
bureaucratie met al haar ijzeren hardheid zowel het lichaam als de geest
binnendringt. De bureaucratie plaatst niet zozeer subjecten in een vervreemdende
omgeving – dat is het beeld van vogeltjes in een kooi – maar creëert een geheel
nieuw soort subject, een subject dat het eigenlijk wel best vindt dat het geworden is
wat het is, kortom, een staalharde slak die zich aanpast aan de geïnstitutionaliseerde
slakkengang om hem heen.
Laat ik mij minder poëtisch uitdrukken. Het ijzer van de bureaucratie is haar weerzin
tegen wonderen en wonderdoeners, haar voorkeur voor procedure en rationaliteit,
haar hang naar wetenschap en oplossing, en bovenal haar vertrouwen op het subject
van de neutrale functionaris. Die functionaris is accuraat, stipt, robuust, stoïcijns,
zakelijk, moreel neutraal en dus onpersoonlijk. Hij is dat nieuwe subject waar ik het
zojuist over had, dat wil zeggen, een deel van de ijzeren machine en hij kan dat
alleen maar worden omdat hij de mens in zichzelf, de mens die ergens achter de
functionarissenschijn moet schuil gaan, als het ware tussen haakjes weet te zetten: de
staalharde regels spelen altijd een belangrijkere rol bij zijn gedrag dan persoonlijke
overwegingen of voorkeuren. Simpel gezegd, de slak met zijn stalen huis is een soort
asceet en zo zag Weber hem ook. In het staalharde huis is geen plaats voor
levensgenieters.
Maar dat was allemaal ijzer. Steeds vaker hoort men fluisteren dat het maar eens
afgelopen moet zijn met het ijzeren tijdperk en de slakken die het voortbrengt. Het
onbehagen met de bureaucratie is te groot. Freudiaanse onlustgevoelens spoken rond
in het staalharde huis. Wie wil nou leven en sterven als een ijzerslak? Nee, het ijzeren
tijdperk is voorbij. Tegenwoordig leven we in het tijdperk van glas. Ook organisaties
moeten tegenwoordig van glas zijn. Ik zal zo uitleggen wat ik daarmee bedoel. Ik wil
nu eerst in het algemeen iets over glas zeggen. Want als ik beweer dat we net een
glazen tijdperk in zijn gegaan, dan wil dat niet zeggen dat glas een jonge technologie
is.

Integendeel zelfs, het is een veel oudere technologie dan menigeen denkt. In Egypte,
zo’n 1800 jaar voor Christus, werd vermoedelijk al glas gemaakt, ook al is de
toepassing niet helemaal duidelijk. Archeologen hebben in de restanten van de
bedolven stad Pompei glazen ramen gevonden. In de vroege middeleeuwen werd glas
ontdekt als middel om vloeistoffen in te bewaren en vrij snel werd het ook gebruikt
als decoratie in kerken of publieke gebouwen. Het zou echter nog tot de Renaissance
duren aleer glas de functionele rol kreeg die het nu heeft. Het gaat bij die rol primair
om transparantie en reflectie: je kijkt door glas en glas kaatst ook terug.
In het eerste geval heeft glas iets ‘unheimisch’, want je weet dat er van de andere
kant ook door glas gekeken wordt. Er is een nabijheid die evenwel door de
metastabiele stof, die glas is, nooit echte nabijheid kan worden: wie elkaar door glas
ziet, kan niet om koele objectivering heen. Dat is de essentie van alle utopische
glazendromen die de architectuur heeft gehad: er wordt een nabijheid gecreëerd die
op afstand blijft of een afstand die nabij lijkt. Denk in dit verband maar eens aan de
bioloog die door het diafragma van een microscoop kijkt: the object is so close and
yet so far.
De intellectuele invloed van opticiens als Zacharias Jansen, die in 1590 de
microscoop uitvond, of Johann Lippersheim, die 15 jaar later de telescoop uitvond, is
ongekend. Door glas werd de wereld in het groot en in het klein uitgebreid met tal
van nieuwe entiteiten: van Leeuwenhoeks bacteriën tot Galilei’s sterren en planeten.
Glas is een peephole waar je nieuwe werelden doorheen kunt zien.
In het tweede geval – het geval van de reflectie dus – is glas juist datgene waar je niet
doorheen kunt kijken en is glas wat terugkaatst: ze leidt niet tot een verdieping of
uitbreiding, maar tot een verdubbeling van de wereld. Door spiegeling krijgt glas zijn
controlerende functie.
Zoals de techniekfilosoof Lewis Mumford in zijn Technics and Civilization heeft
laten zien, heeft de mens door de spiegel voor zichzelf een gezicht voor zichzelf in
plaats van alleen maar voor anderen gekregen – en met dit gezicht kwam bijvoorbeeld
de terreur van de zelfcontrole. De moderne mens pulkt, fronst en trekt bekken voor
de spiegel en dat allemaal om zichzelf de maat te nemen. Geen ongewenste neushaar
blijft zitten, geen kromgebogen rimpel kan worden geaccepteerd, geen gat of puist
wordt niet dicht geplamuurd. Reflectie is verworden tot check en doublecheck. De
consequentie van dit alles is natuurlijk een volstrekt pathologische zelfobsessie: de
mens is door het glas niet meer in de wereld maar in en met zichzelf. Mumford
gelooft serieus dat glas het geluk van de mensen heeft aangetast.
Glas is, afgezien van al zijn onmiskenbare verdiensten, dus ook linke soep. Het heeft
bijgedragen aan objectivering en controle. We mogen niet vergeten dat dit twee
bureaucratische elementen zijn. Dat betekent dus dat de bureaucratie nooit uitsluitend
uit ijzer heeft bestaan. Ze heeft altijd ook met glas gekoketteerd. Juist daardoor kon
glas zo dominant worden in onze organisaties: ondanks de paradoxale aard ervan is
glas niet wezensvreemd aan die organisaties. Misschien zijn organisaties wel veel
paradoxaler dan je zo op het eerste gezicht in deze wereld van rechtlijnigheid en
efficiëntie zou willen toegeven. Het hoeft daarom geen verbazing te wekken dat met
name bedrijfs- of overheidsgebouwen onder de dictatuur van het glas zijn komen te
staan. De hele geschiedenis van de moderne architectuur getuigt daar van. Waar
gewerkt wordt, is glas een belangrijk medium. Zonder doorzichtigheid kan geen
functionaris zijn werk doen. Zonder glas is orde onmogelijk.
Het Panopticum waar Michel Foucault zo indringend over heeft geschreven is een
voorbeeld van een bureaucratische toepassing van het glasprincipe. Het is allemaal
bekend. Een rond gebouw staat om een toren. In die toren zitten uitkijkvensters. Daar
zitten toezichthouders. Zij kijken naar het ronde gebouw. Dat ronde gebouw bestaat
uit cellen. Die cellen hebben een raam voor en een raam achter. Het voorste raam
correspondeert met de ramen in de toren. Door de achterste ramen komt een licht dat
de silhouetten van de mensen in de cel volledig zichtbaar maakt voor de
toezichthouder in de toren. De duisternis van de kerker wordt vervangen door een
lichtregime. De truc is dat de celbewoners de toezichthouders soms wel en soms niet
kunnen zien. De toren is een onomstotelijke zekerheid voor de celbewoners, maar ze
kunnen nooit zeker weten dat ze bespied worden. Tegelijkertijd weten ze dat ze altijd
bespied kunnen worden. Macht wordt door het spel van glas met licht tot een
automatisme dat Foucault, maatschappijcriticus als hij was, symptomatisch vond
voor de hele westerse beschaving. Disciplinering noemde hij het en glas is een
uitstekend hulpmiddel daarbij. We mogen dat niet vergeten, ook al heeft glas, zoals
we straks zullen zien, meer dan alleen maar bureaucratische effecten.
Laat ik eerst nog wat meer zeggen over het materiaal zelf. Niemand heeft
waarschijnlijk zo diepzinnig over glas geschreven als Walter Benjamin, de Duits-
Joodse filosoof die bij het aanbreken van de tweede wereldoorlog zelfmoord pleegde.
“Glas”, schrijft hij, “is een hard en glad materiaal waarop niets zich vastzet. Ook een
koud en nuchter. De dingen uit glas hebben geen ‘aura’. Het glas is nu eenmaal de
vijand van het geheim. Het is ook de vijand van het bezit.” Scheerbart, Taut, Loos en
Le Corbusier – hun werk is ondenkbaar zonder de utopische idylle van de
transparantie.
Benjamins uitspraak laat zien dat glas een probleem is in onze samenleving. Glas
heeft geen aura, het is koel, het is afstandelijk. Het ondermijnt, zou ik daaraan toe
willen voegen, het traditionele kinesthetische vertrouwen van de mens in de
gecombineerde macht van de zintuigen en kent alleen nog maar een primaat toe aan
het oog: in een wereld waarin glas zowel wetenschap als organisatie fundeert en
overheerst, kan de mens alleen nog maar waardering opbrengen voor zijn oog en
raken reuk, gehoor, smaak en tast in een cognitief verdomhoekje – dat wil zeggen:
waar glas steeds meer en meer een mediale functie heeft, worden de andere zintuigen
verbannen naar een louter esthetisch domein. Het is mooi om lekker te eten en goede
muziek te luisteren, maar aan de progressie van onze glorieuze kennis kan zoiets
onmogelijk bijdragen. Die verheffende rol is alleen maar voor het oog weggelegd.
Sinds glas, zeggen filosofen dan, leven we allemaal onder een ‘oculair gecentreerd
regime’. In gewone mensentaal: het oog is de baas. Ziedaar de essentie van het
Panopticum.

Dat moeten ze ook in organisaties gedacht hebben: er is daar steeds minder ijzer en
steeds meer glas. Dat leidt niet zozeer tot een einde van de bureaucratie – glas blijft
een bepaald type bureaucratische allure hebben – maar veeleer tot een verandering
van de bureaucratie: ze wordt subtieler, ze kruipt meer onder de huid, ze verandert
mensen in plaats van dat ze hen alleen maar onderwerpt. De bekende
organisatiedeskundige Yannis Gabriel heeft die transformatie van de bureaucratie als
volgt omschreven: “In plaats van de beheersing die geassocieerd wordt met de
moderne bureaucratie, de regels en de regelgeving die de tralies van de ijzeren kooi
vormden, nemen hedendaagse organisaties hun toevlucht tot veel subtielere en toch
ook veel diepere vormen van beheersing, vormen die tegelijkertijd door- en
indringend zijn, die niet zozeer een persoon beperken maar veeleer deze persoon
bepalen.” Gabriel noemt daarbij onder meer de volgende elementen: culturele en
ideologische controle in de vorm van klantvriendelijkheidoffensieven,
kwaliteitsimpulsen en imagomaatregelen, structurele controle in de vorm van
doorlopende resultaatmetingen, benchmarking en structuurverplatting,
technologische controle in de vorm van elektronische of gecomputeriseerde
veiligheidsprotocollen en ten slotte spatiale controle in de vorm van open space
kantoren en dergelijke meer.
Wat heeft dit allemaal met glas te maken? In al deze maatregelen gaat in ieder geval
een obsessie schuil met transparantie: de doorzichtigheid van het Panopticum blijft
een paradigma voor de hedendaagse organisatie- of bedrijfskundige. Maar als dat zo
is, dan zijn er tegelijkertijd ook nieuwe en complexere vormen van onderwerping. De
leden van de organisatie zitten nog steeds in val, maar de val heeft een ander karakter
gekregen: ze zitten, stelt Gabriel, in een glazen kooi of, misschien beter nog, in een
glazen paleis. Overal zie je camera’s, die handel en wandel van medewerker en
bezoeker blootleggen. Mensen worden in toenemende mate op basis van beelden
beoordeeld, niet alleen door andere mensen in de organisatie, maar ook door mensen
buiten de organisatie. Hoe dat oordelen precies in zijn werk gaat, wat de
wetmatigheden ervan zijn, is overigens niet helemaal duidelijk. Sinds we van mening
zijn dat alles zo transparant mogelijk moet zijn, inclusief bijvoorbeeld de obscene
salarissen van topfunctionarissen, is de ambivalentie alleen maar toegenomen:
transparantie maakt lang niet altijd alles helder. Nu het volk weet wat de top verdient,
denkt het volk: hè bah, wat walgelijk – maar tal van andere mensen, die kennelijk
niet tot het volk behoren, denken iets heel anders: omdat ze zien wat bazen hebben,
willen ze het zelf ook. Je kunt door glas heenkijken en denken: ik hoef het glas maar
kapot te slaan en ik ben aan de andere kant. Soms kun je ook denken: verdomd, ik
kom nooit door dat glas heen. Vrouwen denken in organisaties vaak dat het glas
gewoon te hoog zit: ze kunnen het gewoon niet weg slaan. Zoiets duidt men dan aan
als het glazen plafond.
Waar het om gaat in de glazen kooi, dames en heren, is dat alles zichtbaar wordt,
maar toch ook blijft er veel verborgen. Helderheid en ambivalentie wervelen om
elkaar heen. Alles draait om openheid en doorzichtigheid, tegelijkertijd is de
dubbelzinnigheid nooit groter geweest. Ja, ja, de organisatie als een spektakelstuk
waar je doorheen kunt kijken, alsof de bazen inderdaad als goudvissen in een kom
zitten: het mooie wordt er supermooi (visie en charisma noemen ze dat) en het lelijke
wordt er superlelijk (inhaligheid en dwangneurose worden onder meer genoemd).
Dat is misschien wel het belangrijkste kenmerk van glas: wat achter glas zit, wordt,
of je het nu zichtbaarder wordt of niet, alleen daardoor al waanzinnig belangrijk, dat
wil zeggen, waanzinnig mooi of lelijk. Glas is altijd vergrootglas – daar hebben we,
wat de glazen huizen van organisaties betreft, echt geen Zacharias Jansen of Johann
Lippersheim voor nodig.
Dames en heren, mijn conclusie is dus van een kinderlijke eenvoud: Ik wil niet kijken
naar goudvissen … Waar we alles alleen maar uitvergoten, dreigt immers het gevaar
dat we niets meer zien. Dat is de kern, wist de situationist Guy Debord al, van alle
spektakel: hoe meer je zichtbaar maakt, hoe meer er verduisterd wordt. Er is geen
licht zonder duisternis en geen duisternis zonder ligt. Dat is overigens iets wat de
transparantieprofeten van het huidige kabinet met hun zelotenverering voor het
bedrijfsleven maar niet in de gaten willen hebben.
Om misverstanden, die altijd het gevolg zijn van kinderlijk eenvoudige conclusies, te
voorkomen: Ik wil geenszins beweren dat glas geen voordelen biedt. Je kunt er niet
alleen doorheen of in kijken – dat zijn functies die de relatie tussen waarnemer en
glas bepalen – maar glas is ook relatief immuun voor andere stoffen, dingen en
wezens. Nogmaals Benjamin: niets zet zich op glas vast. Je kunt dus bijna alles in
glas stoppen zonder dat het glas daaronder lijdt: van miltvuurbacterie tot een
excellente Bordeaux. Anders gezegd, glas heeft onafwendbare hygiënische
voordelen: het geeft toegang tot de wereld zonder dat die wereld de waarnemer hoeft
te besmetten.
Glas desinfecteert dus in zekere zin. Hoe vreemd dus dat glas toch ook alles met
extase en roes te maken heeft. Iedere drankorgel kan je dat vertellen. Misschien
hebben denkers als Benjamin en Mumford, twee tijdgenoten die vooral in het
duistere interbellum schreven, wat al te eenzijdig de dystopische elementen van glas
benadrukt. Wat is er immers mis met een glas wijn?
Wijn is, dat weten we allemaal, niet primair bedoeld om naar te kijken. Nu zult u
misschien zeggen dat dit voorbeeld niet over glas gaat, maar over wat er in het glas
zit en dat daarmee de koele, neutrale rol van het glas onaangetast blijft. Maar de ware
dronkaard weet beter: naarmate hij meer beneveld raakt, gaat hij dieper in het glas
kijken. Dat rare ding, dat hij in zijn handen houdt, ondergaat transformaties van een
ongekende omvang. De beroemde schilder Francis Bacon dronk wijn en nog meer
wijn, keek toen door het glas en zag dat het glas zelf veel minder koel en afstandelijk
is dan Benjamin kon bevroeden: wie drinkt, krijgt oog – en dit woord gebruik ik hier
bewust – voor de auratische effecten van glas. Het leverde bij Bacon onvergetelijke
portretten op van weggevaagde gezichten.
Maar Bacon was een kunstenaar en kunstenaars hebben over het algemeen goed
begrepen dat glas meer dan alleen maar een neutrale doorzichtigheidtechnologie is.
Men thematiseert steeds vaker de vier elementen – aarde, water, vuur en lucht – die
zo merkwaardig samenkomen in het glas: Suchan Konoshita, Jayant Naik, Masuda
Hiromi, Roxy Paine – er zijn er veel meer die van glas meer dan alleen maar een
zogenaamde postbureaucratische toestand maken.
Glas kan een peephole naar een andere wereld zijn die vol zit met vreemde
gebeurtenissen. Lewis Carrol, de bedenker van Alice in Wonderland en Through the
Looking Glass heeft dit laten zien: als Alice door de ‘peep’ heengaat, blijkt dat de
kamer waarin ze zit, ineens volop in beweging is. Bij Bacon en bij Carrol ontstijgt
glas zijn bureaucratische functie. Glas hoeft ons, onder het mom van grenzeloze
transparantie, niet te isoleren van gebeurtenissen, of te veroordelen tot een louter
registrerende rol op afstand. Glas heeft een intensiteit, een aura, een extase van
zichzelf.

Dank u wel.

René ten Bos