Opmaat
Toen Joep Schrijvers mij enige tijd geleden benaderde of ik op de Vanwood­man bijeenkomst in Hombroich een lezing zou willen geven over ‘Verganke­lijkheid’ heb ik niet meteen “ja” gezegd. Mijn eerste reactie was “waarom dit onderwerp?” en “waarom zouden we dit thema binnen Vanwoodman aan de orde moeten stellen?”. Joep had echter bepaalde intuï­ties en die hebben me doen besluiten op de uitnodiging in te gaan. Nu is het een terechte les van de 20e eeuwse wetenschapsfilosofie dat een beroep op intuïtie geen recht­vaar­diging kan zijn voor een aanspraak op kennis, wel kunnen intuï­ties een heuristische rol vervullen en zo was het ook hier.

More... 

            Wat Vanwoodman betreft, ongeveer drie jaar geleden nam ik deel aan het Leusdense symposium over kennisproductiviteit dat werd afgesloten met een Spaanse avond in de Laurenskerk te Alkmaar (begon daar niet de victo­rie?). Een van de onderde­len van die avond was een lezing over Dali en de mogelijkheid een deel van zijn werk te bekijken. Inte­ressant bij Dali is o.a. het schilderij De duurzaamheid van de herinnering waarin tot stil­stand gekomen klokken vloeiend vervormen. De mathematische tijd, voor Newton nog een metafy­sisch absolu­tum, toont daarin haar vergankelijkheid. Terugkijkend naar drie jaar geleden, kan in de aandacht voor Dali dus als een opmaat worden gezien tot het thema van vandaag. Anders gezegd, er is bij Vanwoodman kennelijk continuïteit in de aan­dacht voor vergan­ke­lijk­heid.
Met deze laatste opmerking is tevens het eerste onderdeel van wat ik hierna zal bespreken genoemd: vergankelijkheid en continuïteit. Daarna zal ik onder het kopje “van klacht naar lof” kort ingaan op de geschiedenis van het denken over vergankelijkheid en ik zal afsluiten met enkele opmerkin­gen over vergankelijkheid en mode in managementdenken.
       
I. Vergankelijkheid en continuïteit
Veel van wat mensen doen is gerelateerd aan hoe vergankelijk­heid wordt gewaardeerd. Deze kan daarbij verschillende gedaantes hebben, bijv. slijtage, zowel in letterlijke (fysische) als in overdrachtelijke zin, en vergetel­heid. Neem zoiets alledaags als onder­houd. Gebouwen en roeren­de zaken zoals auto’s, boten, fietsen etc. vergen een voortdu­rende strijd tegen de vergankelijk­heid die al het materiële ken­merkt[1]. Maar ook vriend­schappen kunnen slijten en vragen om onderhoud. Kijk verder eens naar de gezond­heidszorg en wat tegenwoordig duurzaam ondernemen wordt genoemd, staan beide niet eveneens in het teken een waarde­ring ­van het verganke­lijke? Ik denk van wel. Omgaan met vergetelheid is verder aan de orde in alles dat met geschiedenis verband houdt: het doen van historisch en archeologisch onder­zoek, het houden van herdenkingen, het vasthouden van tradities en rituelen, etc.
            Naast het bieden van weerstand aan de vergankelijkheid, zijn er ook veel activiteiten gericht op het bevorderen ervan. Gebouwen worden soms bewust niet meer onderhouden of gesloopt, de geneeskunde is voortdurend bezig middelen te vinden om ziekteverwekkers te doen verdwijnen en soms is de zorg voor de zieke mens juist een dienst aan zijn vergankelijkheid, bedrijven worden geliquideerd (o.a. met behulp van sterfhuis­constructies). Verder worden sommige zaken bewust aan de vergetelheid prijsgegeven, vormen van politiek bestuur als achterhaald beschouwd, etc. Zelf heb ik ooit eens een tijdje meegewerkt aan een opgraving te Jeruzalem. Als ik daar nu – in termen van vergankelijkheid – op terugkijk, dan is de conclu­sie dat bij de gebruikte opgravingstechniek (o.a. houweel) bewust het risico werd genomen dat dingen werden vernietigd (bijv. antiek keuken­gerei) om iets anders aan de oppervlakte te brengen (de fundering van een belangrijk gebouw). Een ander voor­beeld is interim-management. De interim kan alleen functioneren dankzij de tijde­lijkheid van zijn/haar aanwezig­heid. Bovendien staat veel van wat de interim doet in het teken van “stoppen” (Van Gunsteren 2002), bijv. het losmaken van vastgelo­pen situa­ties. Kortom, de interim werkt met het oog op de vergankelijk­heid, tege­lijkertijd is het zo dat er een duurza­me verandering wordt nage­streefd.     
            Wat tot dusver is gezegd maakt duidelijk dat veel van ons leven en werken in het teken staat van, enerzijds, een tegengaan van verganke­lijk­heid en streven naar duurzaamheid, en, anderzijds, een gerichtheid op het bevorde­ren van juist die vergankelijkheid. Vanuit een filosofisch perspec­tief is de vraag, of de selectie van het vergan­kelijke dat we willen behou­den/veiligstellen en dat wat we extra snel willen doen ver­dwijnen wordt genomen aan de hand van kriteria of dat steeds ad hoc met genoemde polari­teit wordt omgegaan, daarbij belangrijk. Een vervolg-vraag is dan of de eventuele kriteria zelf ook weer veranderlijk zijn of juist niet­. Een vriend vertelde me onlangs dat hij een verslag had gelezen van een discus­sie van wetenschappers ergens rond 1890 over de vraag wat er honderd jaar later niet meer zou zijn. Een van de stellige antwoorden was; “de wilde dieren”, iets dat als positief werd beschouwd omdat daardoor de wereld veiliger zou worden. In onze tijd daarentegen willen we de dreigen­de ondergang van groot wild juist afwenden, bijv. vanwege de wenselijkheid van variatie in levensvormen en de instandhouding van ecosystemen. Dat lijkt een grote verschuiving wat betreft het kriterium. Het is echter niet uitgesloten om onze reflectieve vermogens te richten op het onder­kennen van een meer algemeen en fundamenteel kriterium dat niet is veranderd of eventu­eel verder is gearti­culeerd, juist met het oog op continuïteit. Een ieder kan daar zo zijn of haar gedachten over hebben.
    
Het punt van vergankelijkheid en continuïteit speelt ook bij de verschil­lende filosofische proclamaties van het “einde …” die vanaf het midden van de 19e eeuw tot in onze tijd zijn gedaan. Een bekend recent voorbeeld is Fukuya­ma’s The End of history and the Last man. Zijn stelling is dat met de wereldwijde verspreiding van de liberale democratie de strijd tussen de grote ideologieën in principe beslecht is. Met dit “einde van” is tevens continuï­teit geïmpliceerd, namelijk van de liberale democratie. Andere voor­beelden van “einde van ..” proclamaties zijn: Marx’ aankondi­ging van het einde van de burgerlijke cultuur, Nietzs­che’s verkondiging van de dood van God, Foucault’s einde van het sub­ject en de postmoderne nadruk op het einde van de Grote Verha­len. Ieder van deze proclamaties impliceert haar eigen continuïteit. Bijv. bij Marx de macht van het proletariaat en duurzame opheffing van de ver­vreem­ding, bij Foucault de doorgaande – om verzet roepende – invloed van disciplinerings­macht. Het postmodernisme impliceert, in ieder geval in de vorm van een verlangen, een doorgaande levende stroom van kleine verhalen. In organisa­tiestudies weerspiegelt zich dat o.a. in de aandacht voor lokale narrativi­teit. 
Vergankelijkheid is kennelijk overal, zowel op het niveau van de materië­le dingen als op het niveau van de geschiedenis. Echter, vergankelijkheid in een opzicht hoeft continuïteit in een ander opzicht nog niet uit te sluiten. Op het niveau van de materie poogt de natuurwetenschap daar inzicht in te geven. Wat de ge­schiedenis betreft kan bijv. gedacht worden aan Fukuyama. Er is nog wel geschiede­nis met een kleine ‘g’, d.w.z. betreffen­de politieke en maat­schappelijke ontwikke­lingen, techni­sche innovaties, conflicten etc., maar niet meer met een grote ‘G’. Nieuwe defini­ties van wat het betekent waarlijk mens te zijn en wezenlijke nieuwe principes van sociaal-maat­schappelijke organisa­tie zullen volgens Fukuyama niet meer gevonden worden, wat dat betreft is er dus continuïteit.
            Wie wil filosoferen over vergankelijkheid kan verschillende sporen volgen. Het eerste is gericht op de metafysische vraag naar wat verganke­lijk is en naar wat blijvend is, bijv. met betrekking tot de natuur. Het tweede spoor is vooral gericht op de praktische vraag hoe met verganke­lijkheid moet worden omgegaan, en met name of en zo ja welke kriteria daarbij zouden moeten worden gehanteerd. De aangeduide voorbeelden kunnen daarop worden bezien. Het omgaan met vergan­kelijk­heid doet zich overal in de samenleving voor, ook bij verschillende professies is dit een belang­rijk punt. Ook verschil­lende ni­veaus van de samenle­ving, bijv. meso- en macro-, kunnen worden bezien op het omgaan met verganke­lijkheid en de daarbij gehanteerde kriteria. Op meso-niveau gaat het onder andere om de vergankelijkheid<->continuï­teit van ondernemingen en andere organisa­ties. Een voor­beeld van macro- kan gevonden worden in het denken van Fukuyama. Zijn positie bergt namelijk ook een kriteri­um in zich hoe op het niveau van de maat­schappe­lij­ke orde met verganke­lijk­heid<->continuï­teit moet worden omge­gaan. Een filosofisch perspectief daarop zal i) dit kriterium dienen te expliciteren en ii) de vraag onder ogen moeten zien in hoeverre dit kriterium acceptabel is. 
II. Van klacht naar lof
Er kunnen allerlei geschiedenissen geschreven worden. Een ervan is een geschiedenis van het beleven van en denken over vergankelijk­heid. In dit deel van mijn bijdrage wil ik daar een aantal aspecten van belichten.
            Wie in de oudheid begint, met grote stappen door de geschiedenis gaat, en eindigt aan het einde van de 19e eeuw kan een doorgaande lijn ontwaren die m.i. het beste worden aangeduid als: ‘van klacht naar lof’. De in de bijlage opgenomen citaten laten dat duidelijk zien. Het eerste citaat betreft een zgn. harpernaarslied uit het oude Egypte, geschreven voor het graf van koning Antef (11e dynastie, 2100 v Chr.). Het is één grote klacht over de vergankelijkheid van het menselijk leven en ook van al datgene dat de mens doet, bijv. monumenten bouwen zoals piramides. Uiteindelijk zal er niets van overblijven. Met het ontstaan van de filoso­fie in de antieke wereld komt er een veel meer theoretische benadering naar voren. Neem Aristoteles (384-322 v Chr.). Hij was de leermeester van Alexander de Grote en hij ontwikkelde een omvattende filosofie waarin alles een plaats heeft, o.a. ethiek, fysica, logica, metafysica, staats­leer en biologie. Grote thema’s van zijn denken zijn i) hoe de verander­lijk­heid, continuïteit en orde van de werkelijkheid begrepen dient te worden en ii) wat het betekent een goed burger (zie stadsstaat) te zijn. Daarbij gaat hij ervan uit dat de realiteit als zodanig eeuwig is, er is geen begin en ook geen einde. Het in de bijlage opgenomen citaat laat iets zien van zijn benade­ring van de menselijke ziel en van zijn denken over astronomie. De ziel heeft verschillende delen en een ervan, het denkende deel, is eeuwig en kan gescheiden worden van het lichaam. Ten aanzien van de hemel is Aristo­teles van mening, dat al het bovenmaanse vast en onveran­derlijk is. Ook de beweging, bijv. van planeten en sterren, laat onveran­derlijkheid zien en alles komt weer op zijn vroegere posities terug (in moderne termi­nologie: de eenparige cirkelbeweging). Om dat allemaal te kunnen begrijpen stelt Aristoteles nu dat er een hemelse materie is, die eeuwig is en onveranderlijk.
            Met het latere verdwijnen van de relatief overzichtelijke stadssta­ten (Macedonische en Romein­se rijk) ontstond er behoefte aan een wereld- en levens­beschouwing die het individu een houvast kon bieden. Men zocht daarom naar een levenskunst die de mens, temidden van alle wissel­vallighe­den van het leven, kon leren een innerlijke rust te veroveren en te bewaren. In de filosofie van de Stoa is daarvan het nodige te vinden. Wat de benade­ring van de menselijke vergankelijkheid betreft, is vooral Epicte­tus (50-120 n Chr.) bekend geworden met zijn uitspraak dat de dood een “niets” (zie bijlage) is: waarom zouden we er ons druk over moeten maken? Ten tijde van het leven van Epictetus ontstonden ook de eerste christelij­ke geloofsge­meenschappen. Een hoogtepunt van het vroegchristelijke denken vormt het werk van Augustinus (354-430 n Chr.). Hij bekeerde zich op een gegeven moment tot het christendom en werd bisschop van Hippo Regius in Noord Afrika. Een groot contrast met bijv. Aristote­les is Augustinus’ opvatting van de werke­lijkheid als schepping. Daarmee is ook een interes­sant idee over de tijd verbonden, namelijk de gedachte dat de wereld niet in de tijd is geschapen maar met de tijd. Daarom heeft het bijv. geen zin om de vraag te stellen wat God deed voordat hij de schepping tot stand bracht. Het in de bijlage opgenomen citaat van Augustinus benadrukt de verganke­lijkheid van alles dat deel uitmaakt van de schepping. Werkelijke rust kan slechts gevonden worden in Hem die ook de tijd heeft geschapen. De mens dient zich daarom ook te oriënteren op deze onvergankelijke en boventijde­lijke realiteit. Er is dus een wenkend perspec­tief, een groot verschil met het Antef-lied.
            Met de overgang van de Middeleeuwen naar de moderne tijd via de Renaissance wordt de nadruk op het aardse leven sterker. Ook de ontdek­kingsreizen hebben daarin een belangrijke rol gehad. Een in de 16e en 17e eeuw voorkomende centrale gedachte is dat de realiteit een vaste, onvergankelijke, wiskun­dig te begrijpen, orde heeft. De orde werd veelal nog wel gezien als van God gegeven, met de veronderstelling dat deze bij de schepping dacht als een wiskundige. Verder is er een verbinding met het deïsme: na de schep­ping verloopt alles via de vaste orde vanzelf. Ken­nis van die orde, zo meende men, gaf de mogelijkheid de reali­teit in te richten naar eigen inzicht (bijv. het bestrijden van ziekten) en tegelijk­ertijd de menselij­ke potenties vorm te geven. Dit sluit aan bij wat in de vorige paragraaf over het omgaan met vergankelijkheid is gezegd. In de 18e eeuw, ten tijde van de Verlichting, traden denkers op die vraagte­kens gingen plaat­sen bij het deïsme. Een bekend voorbeeld is Diderot (1713-1784). Aanvanke­lijk verde­dig­de hij nog het deïsme en de onsterfelijkheid van de ziel, in zijn latere werk verdwijnt dit: de eeuwige natuur – een zichzelf spelend klavier – is de enige omvattende realiteit en het voort­leven van een mens in de ‘geest’ van anderen is voldoende.
            Over het algemeen had de Verlichting niet veel aandacht voor ge­schie­denis en historische gesitueerd­heid van de mens, behalve dan in termen van door wetenschap ge­stuurde progres­sie. Aandacht voor de geschiedenis is echter volop aanwezig in het denken van Hegel (1770-1831) Bij hem is er overigens ook weer duidelijke rol voor de religie. Zijn filosofisch systeem geeft een allesomvattend beeld van de zich ontwikkelende reali­teit als noodza­kelijke manifes­tatie van de absolu­te Geest. Deze geest is de eeuwig op zich bestaande, in zichzelf terugkerende en teruggekeerde identiteit. Al wat is geweest en wat is (bijv. het individu, volk en staat), het vergan­kelijke, wordt daarop betrokken. Vergankelijkheid is daarmee dienstbaar aan de absolute geest. Dit geeft uiteindelijk de mogelijk­heid aan de mens om zich te verzoenen met het be­staande. Een groot criti­cus van Hegel was Kierkegaard (1813-1855). Hij verzet­te zich ertegen dat Hegel alles, ook de individuele existentie, opnam in het ontwikkelings­pro­ces van de absolute geest. De individuele persoon en het gewicht van de keuzen waar deze voor komt te staan verdwij­nen daarmee namelijk uit beeld. De mens is geen volk, geen massa, geen mens­heid, maar een afzonder­lijke enkeling. Kierkegaard moest daarom weinig hebben van een filosofie die zich richtte op het algeme­ne/noodzake­lijke en waarin het bijzondere, de enkeling, werd be­schouwd als element in een omvat­tend histo­risch proces gericht op een einddoel. Van Kierkegaard is in de bijlage een citaat opgenomen uit zijn geschrift De Herhaling. In dit citaat wordt de dialec­tiek van de herha­ling aange­duid. Deze dialectiek lijkt de verganke­lijkheid ten top. Toch was het idee van de herhaling, en dus van een zekere besten­dig­heid, voor Kierkeg­aard wel belangrijk omdat daarmee orde in het leven wordt gescha­pen, een orde die ook van belang is wanneer we ethisch willen leven (vanuit algeme­ne normen). De herhaling is daarmee de ernst van het be­staan. Kierkegaard wilde echter niet blijven staan bij de burgerlijke invulling van deze ernst. Uiteindelijk staat de enkeling tegenover de absolute God. 
            De laatste auteur is Nietzsche (1844-1900). Ik noemde hem al eerder als de verkondiger van de dood van God. In zijn werk is er geen spoor meer van een klacht over de vergankelijkheid, zoals bij de oude Egyptenaren. In tegen­deel, de vergankelijkheid wordt juist hogelijk gewaardeerd omdat er daarmee ruimte komt voor het scheppen­de individu. Sterker nog, er is geen creativiteit zonder vergankelijkheid: scheppen impliceert immers het bevorderen van vergankelijkheid. Het is mijns inziens niet onzinnig om hier een verbinding te leggen met Schumpe­ter’s idee van ondernemen als creatieve destructie. Een complicerende factor is Nietzsche’s leer van de eeuwige wederkeer van het gelijke. Deze leer laat zich op het eerste gezicht niet zo gemakkelijk verbin­den met de nadruk op de vergankelijk­heid. Een aanslui­ting ligt vermoedelijk in het idee de geschiedenis geen eindpunt kent waar alles naar toe beweegt en waaraan de mens dienstbaar moet zijn; iets analoogs zien we ook bij Kierkegaard. Zou er namelijk wel zo’n eindpunt zijn, dan belemmert dit de scheppende kracht van het indivi­du.    
De geschetste historische lijn laat zien dat het denken over vergankelijk­heid verweven is met allerlei metafysische en kennistheoreti­sche thema’s. Ook hoe de mens zich tegenover het verganke­lijke verhoudt of dient te verhouden komt aan de orde. Met name dat laatste is sterk aanwezig in Nietzsche’s lof van de vergankelijkheid.
   
III. Vergankelijkheid en management-denken
De stap van wat in de vorige paragraaf aan de orde is gesteld naar het management-denken lijkt groot. Niets is echter minder waar, want er zijn allerlei aanknopingspunten. Een ervan is de al genoemde duiding van ondernemen als creatieve destructie. Een ander is het gangbare onderscheid tussen (cultuurvormende) leiders en managers. De eerste zijn creatief en de tweede vooral bezig met een op wetenschap en techniek gebaseerde ratio­nele bestu­ring van organisa­ties. Op dit punt kan ook weer een verbinding gelegd worden met Nietzsche. Nietzsche, zo stelt Schubart, “lijdt aan de mechanisering, aan de techniek, aan de zegetocht der ratio”. De al vroeg in de 20e eeuw levende gedachte van op wetenschap gebaseerde management­-principes zou hem vermoedelijk afkeer hebben ingeboezemd. Ook aan de praktijk ontleende inzichten die de status krijgen van tijdloze begin­selen zouden niet passen bij zijn waardering van de schep­pende mens.
            Vanaf de jaren tachtig komt het management-denken echter meer en meer in het perspectief van de tijdelijkheid te staan. In de eerste plaats is er het verschuivende beeld van de wetenschap zelf. Zo is het rond 1960 door Kuhn naar voren gebrachte idee van de paradigmatische, niet-cumula­tieve, ontwik­keling van de wetenschap ook toegepast op het manage­ment- en organi­satie-denken[2]. Daarbij komt ook nog, dat men meer en meer de nadruk is gaan leggen op het niet-rationale en niet-analytische karakter van manage­ment, ‘wetenschap’ past dan daar niet bij. Sommige auteurs gaan bij dit alles zover dat ze juist de waarde van management-modes onderstrepen. Daar­mee verschuift de aandacht voor tijdelijkheid naar, inderdaad, verganke­lijkheid. Voor de goede orde, denken in termen van paradigma’s en wijzen op de betekenis van mode is niet hetzelfde. Jaap Peters spreekt in zijn boek Niets nieuws onder de zon over “verouderde paradigma’s”, die er voor zorgen dat we in toenemende mate hinder krijgen van neveneffecten en verborgen effecten van het handelen in de context van die paradigma’s. De notie van ‘verouderd zijn’ veronderstelt echter een boven de paradigma’s uitstijgend kriterium waaraan dit kan worden afgemeten. Bij mode is dat niet het geval. De mode regelt dingen die net zo goed anders kunnen zijn. Daarmee vindt zij slechts een kriterium in haarzelf.
Nederlandse auteurs die zich recent met management-modes en verganke­lijk­heid hebben beziggehouden zijn René ten Bos en Stefan Heusinkveld. Ik doel daarbij op ten Bos’ boek Fashion and Utopia in Management Thinking en het Heusinkveld’s artikel Lof der Vergankelijkheid. In beide zie ik, zonder dat de auteurs er overigens expliciet naar verwijzen, een invloed van Nietzsche. Om te beginnen enkele kanttekeningen bij de benadering van ten Bos.
            Ten Bos contrasteert mode met utopie. Onder ‘utopie’ verstaat hij een maatschappij- en organisatie-ideaal waarin voor de eigenheid van het individu geen plaats is. Er is een focus op totaliteit en uniformiteit, niets wordt verspild en het geheel wordt in stand gehouden door beheersing en controle. De wetenschappelijke rationaliteit sluit zijns inziens hier nauw bij aan. De kern van een utopische visie is dat er een einddoel is waaraan alles ondergeschikt wordt gemaakt. Eenmaal gerealiseerd, laat de utopie geen echte verandering en vernieuwing meer toe. De geschiedenis komt dan tot stilstand. De utopische benadering wil ons als het ware boven de verganke­lijkheid doen uitstijgen. Een van de voorbeelden uit de context van het management die hij bespreekt is de BPR. De mode is geheel anders. De mode kent geen einddoel, er is een eindeloze variatie en spontaneïteit, geen wil tot beheersing van het geheel, etc. Dat geldt ook voor manage­ment-modes en de goeroes die deze vertegenwoordigen. Het grote gevaar is volgens ten Bos nu dat de mode utopische trekken krijgt. Dat is wat bij veel goeroes gebeurt. Daarmee vergeet de management-mode echter haar aard als mode. Ten Bos werkt zijn ideeën o.a. uit in de sfeer van de consultan­cy. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen de “would-be” consultants, dat wil zeggen  diegenen die de utopie omarmen en de modebewuste consul­tant die hij zelf wil zijn. Het springende punt bij ten Bos is het zijns inziens kriti­sche en bevrij­dende potentieel van de mode. Dit punt doet natuurlijk wel de vraag rijzen hoe het mogelijk is dat de mode een kri­tisch potentieel kan hebben. Bovendien, in naam waarvan kan de mode kritisch zijn als zij slechts een kriterium in haarzelf vindt? Ik denk dat het antwoord is, dat ten Bos bij zijn pleidooi voor de vergankelijke modes toch uitgaat van een kriterium met een zekere bestendigheid: de wenselijk­heid een wereld met verschillen, openheid en veelkleurigheid. Hoe meer er daarvan bestaat, ook op organisa­tioneel vlak, hoe beter het is. 
                        Heusinkveld stelt dat de nadruk op vergankelijkheid van management-i­deeën wordt gebruikt als een list om bestaande benaderingen te onder­mijnen. Vergankelijkheid boort een bron aan voor eindeloos enthousiasme voor nieuwe ideeën. Dit enthousiasme geeft energie en kracht voor, wat hij noemt, een “concepticide”. Managers en consultants plegen een continue concepticide om te laten zien hoe innovatief zij wel niet zijn. Waar de filosoof Karl Popper nog een inhoudelijke rationele kritiek bepleitte om ervoor te zorgen dat onze theorieën sterven in plaats van wijzelf, ligt dat hier dus anders. Volgens Heusinkveld is de concepticide niet zonder gevolgen. Men vervalt steeds in dezelfde fouten, maar dan iedere keer weer onder een ander conceptueel label. Omdat dit gebeurt zal men nooit tot een cumulatie van inzicht komen. Aan de andere kant is het zo dat, als je zegt voort te willen bouwen op de inzichten van anderen, de lof van de vergankelijkheid ervoor zorgt dat je niet echt gehoor zult vinden. Verganke­lijkheid is verworden tot routine. Als met al schetst Heusinkveld dus een bijna duivels epistemisch dilemma, zonder ruimte te zien voor een mogelij­ke oplossing. Het enige dat hem rest is de constatering van, in mijn woorden, de eeuwige wederkeer van de vergankelijkheid.  
Zoals eerder is aangegeven, worden we bij het omgaan met vergankelijkheid geconfronteerd met vragen als “wat willen we behouden en wat niet?” en “welke vergankelijkheden willen we juist bevorderen?”. In iedere (professionele) praktijk, die met vergankelijkheid van doen heeft, zal op dergelijke vragen een antwoord worden gegeven in het licht van, al of niet expliciete, kriteria. Ook bij organisaties doet zich dat voor, niet alleen met betrekking tot situaties in het veld maar ook op meta-niveau. Reflec­tie op dit soort kriteria lijkt me van belang. Bij ten Bos en Heusink­veld fungeren ook kriteria voor het omgaan met vergankelijkheid op meta-niveau. Deze kunnen als volgt worden verwoord: I. streef naar een wereld met verschillen, openheid en veelkleurigheid (ten Bos); II. voeg je naar de eeuwige wederkeer van de vergankelijkheid (Heusinkveld). De kriteria kunnen ook anders worden aangeduid als respectievelijk ‘leve de variatie’ en ‘het streven naar inzicht voorbij’. Zijn beide invullingen, van het kriterium hoe om te gaan met vergankelijkheid in verband met het organisatie- en management-denken, bevredigend? Voor mij niet, maar een ieder kan daar natuurlijk het zijne of het hare van vinden. Mijn bezwaar tegen deze kriteria is drieledig. Het eerste punt is dat ze zwevend blijven, waarom zouden we bijv. moeten streven naar variatie zondermeer en waarom zouden we moeten capituleren voor het sociologische ‘acceptatie-mechanisme’ dat samenhangt met de lof der vergankelijkheid? Het tweede punt is dat beide, hoewel voortkomend uit een reflectief proces, niet echt bevorderend zijn voor het vestigen van een traditie van reflectie en onderzoek. Mijn derde punt tenslotte is dat er het risico is dat het management- en organi­satie-denken losraakt van enigerlei bedding in de praktijk. Wat mij betreft zouden we dus moeten zoeken naar andere kriteria voor hoe met vergankelijkheid om te gaan. De vraag welke dat zouden moeten zijn kan ik nu niet beantwoorden, maar ik leg deze kwestie graag voor aan alle VanWood­ma­ni­ans.         
Frits Schipper doceert filosofie van management en organisatie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. E-mailadres: f.schipper@ph.vu.nl
Literatuurverwijzingen
R. ten Bos,              Fashion and Utopia in management Thinking. Diss. Katholieke Universiteit Brabant, mei 2000.
F. Fukuyama,         The End of History and the Last Man. New York/Toronto 1992.
H. van Gunsteren,   Stoppen. U kunt het, U wilt het, U doet het niet.  Amsterdam 2002
S. Heusinkveld,       “Lof der Vergankelijkheid”. Filosofie in Bedrijf 14(4), 2002, p. 13-22.
J. Peters,                 Niets nieuws onder de zon. Amsterdam/Antwerpen 2000
W. Schubart,          Dostojewski en Nietzsche. De symboliek van hun leven. Haarlem 1941.
Bijlage: enkele kenmerkende citaten
1. Antef-lied (11e dynastie, 2100 v Chr)
Klacht over de vergankelijkheid
“Geschlechter vergehen,
andere bleiben seit der Zeit der Vorfahren
Die Götter, die vordem entstanden,
ruhen in ihren Pyramiden.
Die Edlen und Verklärten desgleichen sind begraben in ihren Pyramiden
Die Häuser bauten, ihre Stätte ist nicht mehr – was ist mit ihnen gesche­hen?
Ich habe die Worte gehört des Imhotep und Hordjedef,
deren Sprüche in aller Munde sind.
Wo sind ihre Stätten? Ihre Maurern sind verfallen,
sie haben keinen Ort mehr, als hätte es sie nie gegeben.
Keiner komt von dort, ihre Art zu künden, ihre Bedürfnisse zu erzählen,
unser Hertz zu beruhigen bis auch wir gelangen an den Ort, dahin sie gegangen sind”.
2. Aristoteles (384-322 v Chr)
Over de Ziel (De Anima)
“Concerning reason and the faculty of contemplation nothing is clear as yet. But it seems that this is another kind of soul, and that this alone may be separable [from the body], as that which is eternal from that which is perishable. But as as far as the other parts of the soul are concerned, it is evident from what we have said that they are not, as some hold, separable, although it is clear that they are distinguishable in definiti­on”.
Over de Hemel (De Caelo)
Aristoteles gaat spreken over een aparte soort materie waaruit de hemelli­chamen bestaan.
“The reasons why the primary body is eternal and not subject to increase and diminution, but unaging and unalterable and unmodified, will be clear from what has been said to any one who believes in our assumptions. [..] And so implying that the primary body is something else beyond earth, fire, air and water, they [men] gave the highest place a name of its own, aither, derived from the fact that it ‘runs always’ for an eternity of time”.
3. Epictetus (late Stoa) (ca 50-120 n Chr)
Handboekje (Encheiridion)
“Zo is de dood, het ergste van alle kwaad, voor ons een niets: zolang wij leven, is hij er niet, en als hij er is, zijn wij er niet meer.”
4. Augustinus (354-430 n Chr)
Belijdenissen (Confessiones)
“O God der heirscharen, bekeer ons en toon ons Uw aanschijn zo zullen wij behouden zijn. Want waarheen ook de ziel des mensen zich wendt, hecht ze zich aan smarten elders, behalve in U, ook al hecht ze zich aan schone dingen buiten U en buiten U zichzelf. En toch zouden die er niet zijn, als ze er niet waren van U. Zij ontstaan en vergaan, en in het ontstaan begint als het ware hun zijn en zij groeien om voltooid te worden, maar als ze voltooid zijn, worden zij oud en vergaan: maar niet allen worden oud, maar wel vergaan allen. Dus wanneer ze ontstaan en er naar streven om te zijn, hoe sneller ze groeien om te zijn, des te meer haasten ze zich om niet te zijn. Zo is hun wijze. [...] Maar oneindig veel beter is hij, die het geheel gemaakt heeft, [..] Hij verdwijnt niet omdat er niets is, dat hem opvolgt.”
5. Diderot (1713-1784)
Vorländer Geschichte der Philosophie
“Es gibt nur ein einziges grosses Individuum, das Weltall. Das Gehirn, ja die ganze Welt ist ein sich selbst spielendes Klavier. Die Natur bedarf keines persönlichen Gottes, ebensowenig wie der Mensch einer anderen Unsterblichkeit als des Fortlebens im Nachrum.”
6. Hegel (1770-1831)
Encyclopedie der Philosophischen Wissenschaften
“Der absolute Geist ist ebenso ewig in sich seiende als in sich zurückeh­rende und zurückgekehrte Identität”.
Die Vernunft in der Geschichte
“Das Vernünftige is das an und für sich Seiende, wodurch alles seinen Wert hat [..] Dass in der Begebenheiten der Völker ein letzter Zweck das Herschende, dass Vernunft in der Weltgeschichte ist [..] ist eine Wahrheit die wir voraussetzen; ihr Beweis ist die Abhandlung der Weltgeschichte selbst: sie ist Bild und Tat der Vernunft”.           
7. Kierkegaard (1813-1855)
De Herhaling                                                  
“De dialectiek van de herhaling in eenvoudig; want wat zich herhaalt is geweest, zoniet zou het zich niet kunnen herhalen, maar juist het feit dat het geweest is, maakt de herhaling tot iets nieuws. [..] Als men de denkvorm der herinnering of der herhaling niet bezit, dan lost het hele leven zich op in een ledig en waardeloos geraas”.
7. Nietzsche (1844-1900)
Also sprach Zarathustra
“Böse heisse ich’s und menschenfeindlich: all dies Lehren vom Einen und Vollen und Unbewegten und Satten und Unvergänglichen.
Alles Unvergangliche – das ist nur ein Gleichnis! Un die Dichter lügen zu viel.-
Aber von Zeit und Werden sollen die besten Gleichnisse reden: ein Lob sollen sie sein und eine Rechtfertigung aller Vergänglichkeit!
Schaffen – das ist die grosse Erlösung vom Leiden, und des Lebens Leicht­werden. Aber das der Schaffende sei, dazu selber tut Leid not und viel Verwandelung.
Ja, viel bitteres Sterben muss in eurem Leben sein, ihr Schaffenden! Also seid ihr Fürsprecher und Rechtfertiger aller Vergänglichkeit”.
Zu Zarathustra
“Hüten wir uns zu glauben, dass das All eine Tendenz habe, gewisse formen zu erreichen, dass es schöner, vollkommener, komplizierter werden wolle! Dass is alles Vermenschung [..]
Es ist alles wiedergekommen: des Sirius und die Spinne und deine Gedanken in dieser Stunde und dieser dein Gedan­ke, dass alles wiederkommt”.




 

1. Die vergankelijkheid gaat tegelijkertijd gepaard met meer duurzame wetmatigheden. De natuurwetenschappen pogen die o.a. te onderkennen.
    [2]Of deze toepassing terecht is en geen breuk met wat Kuhn eigenlijk wilde zeggen valt buiten het kader van dit stuk.