2002 – De ambivalentie van het kwaadaardige – Joep Schrijvers
De gevarenzone
Stelt u voor. Een museum. Moderne kunst. Midden in de grote witte zaal staat slechts één schilderij. U loopt er naar toe en ziet twee figuren. Mansgroot. Van beide figuren zijn de hoofden uitgesneden. Het is duidelijk. Hier kunt u uw hoofd doorheen steken. De fotocamera die erbij hangt, is hierin ook ondubbelzinnig. U voelt zich hoogst ongemakkelijk, geprovoceerd, verontwaardigd en beledigd. De twee figuren zijn Hitler en een gevangene van Birkenau. Dader en slachtoffer in één beeld. En u mag zelf uw identificatie kiezen: Beul of Gehangene. Als u wilt, kunt u zich laten vereeuwigen.
Een zieke performance? Zeer zeker. Die tot heftige afwijzingen in de media zou leiden? Uiteraard. Tot aangifte vanwege aanzet tot haat? Ongetwijfeld. Laat ik u gerust stellen. In dit museum zult u dit schilderij niet vinden. Om tot zulke heftige emoties te komen moet u het vliegtuig nemen en naar New York gaan. Daar zult u kunst vinden die wél provoceert, die wél verwart, die wél tot heftige debatten leidt en zelfs tot picketlines en boycots.
Daar zijn objecten, fotomontages, installaties te vinden, die de toeschouwer brengen naar de gevarenzone van zijn denken, zijn moraal en zijn verbeelding. De zône, die de rollen van deelnemer en toeschouwer vermengt, de heldere grenzen van goed en fout vervaagt en het luie en brave denken danig op de proef stelt. Hier vindt men de kunst die op ambivalente wijze het ambigue van macht, geweld en vernedering aan de orde stelt.
Gelukkig, zou ik bijna willen verzuchten, eindelijk. Want als we ergens van vervreemd zijn geraakt dan is het wel van de ambivalentie van de macht, het geweld en het sadisme. We zijn in ons denken te ver verbraafd. Maar godzijdank wordt deze verbraving inmiddels op diverse maatschappelijke gebieden aan de orde gesteld en als kwaal serieus genomen. In Nederland was daar wel een politieke moord voor nodig.
De verspreiding van het probleem
De verbraving is wijd verspreid. We zien haar bijvoorbeeld terug in de kitscherigheid van vele moderne theorieën over management en organisatieveranderingen. Wat vroeger ‘naaien was, heet tegenwoordig ‘interveniëren’, en ‘slijmen’ moet men vooral ‘inspireren’ noemen. Managers, hun consultants en goeroes hebben een vocabulaire geconstrueerd waarmee zij de ambivalentie van hun doen en laten niet meer kunnen waarnemen.
In verband hiermee wil ik ook een onderzoek noemen van Duyvendak, waarin hij het bloedeloze taalgebruik in beleidsnota’s aan de kaak stelt. Hij schaart zich daarmee in het koor van commentatoren die stellen dat politieke problemen van hun ongemakkelijke en schurende karakter zijn ontdaan door het gebruik van emotieloze en bloedeloze taal. Hierdoor horen gewone burgers niet meer het existentiële en het schrijnende van hun ervaringen, de ambivalentie van hun problemen. Zij nemen dan hun toevlucht tot De Volksmond.
Ook in het grote sociale vraagstuk van deze tijd, de multiculturele samenleving, hebben we een vergelijkbaar verbravingsproces gezien. De linksliberale verbraafde intelligentsia bepaalde tot voor kort het vocabulaire waarmee problemen verwoord mochten worden en claimden het alleenrecht op het vermogen het juiste onderscheid tussen goed en fout te mogen maken. De komst van allochtonen moest vooral worden gezien als een voor de Nederlandse samenleving weldadige gebeurtenis. Dat de Volksmond hiermee niet uit de voeten kon, bleek wel uit de ambigue termen die zij ging gebruiken als ‘kutmarokkaantjes’, ‘geitenneukers’ en ‘Allahjugend’. Deze politieke correctheid is inmiddels tot stoppen gebracht door de Scheffers, Theo van Goghen en Fortuynen van onze tijd en als probleem onderkend.
Zowel in de professionele disciplines, als tot voor kort in de politiek, werd en wordt teveel en te vaak ‘braaftaal’ gesproken. Braaftaal is het gedistantieerde taalgebruik om problemen van sociale aard te verwoorden vanuit het standpunt van morele superioriteit met neutraal technische termen waardoor elke ambivalentie van morele en politieke aard buiten de orde is geplaatst. Met die taal sluiten we onszelf op in een 55plus-recreatiebungalowpark, achter een slagboom, in de Achterhoek van ons denken, ver weg van het kwaadaardige. Hierdoor kunnen we onze alledaagse ervaring die ambivalent is en vol duisternis, moeilijk verwoorden en amper begrijpen.
Waar is het gevaarlijk?
Het moge duidelijk zijn dat ik een pleidooi houd om het gevaar weer op te zoeken. De vraag is dan waar deze te vinden is. Zo eenvoudig is dat niet.
Seks en religie
Velen neigen ertoe om terug te keren naar het voormalige gevaar, het provocerende en verontrustende van decennia terug: de seks en de religie. Zo was ik laatst in een standup comedian club, waar een paar Amerikanen ons provocerende grappen vertelden over Jezus aan het kruis, afgewisseld met moppen over seks. Waarschijnlijk prikkelend voor een gemiddelde Amerikaan maar voor een gemiddelde Nederlander saai en slaapverwekkend. Dames en heren, seks is niet gevarenzone. Beeldjes van een neukende kunstenaar met zijn vrouw, beeldjes van Jeff Koons, zijn niet gevaarlijk, hooguit grappig. Ook in het christendom treft u de gevarenzone niet meer aan. Daar is weinig te provoceren, taboes te doorbreken, ambivalentie te vinden. Of hetzelfde geldt voor de Islam, daarvan ben ik niet zeker. Wie het christendom een achterlijke godsdienst noemt, zal weinig beroering oproepen, wie een negatieve inhoudelijke evaluatie van de Islam geeft, zal het zwaarder te verduren krijgen.
Pretparkisme
Anderen menen dat de gevarenzone te vinden is in de opwinding van de grote stad. Zij zoeken de spanningen op die geen of nauwelijks risico’s met zich meebrengen. Deze mensen verwarren de gevarenzone met een pretpark.
U kent ze wel, die liefhebbers van loopings, de bungeejumps, en de wildwater rivieren. De tienduizenden mannen en jongens die zich virtueel bevredigen met gewelddadige games. U kent ze wel: al die mannen en vrouwen die in kittige laarsjes en met een leren petje op hun kop, elkaar op de vele trashparties gezellig afzwepen, liefdevol vernederen en cocreërend onderschijten om vervolgens in een sfeervolle relaxruimte een kopje kruidenthee te drinken. Kitsch dames en heren. Dit is kitsch.
Ook de organisatiekunde kent haar trashparties, haar pseudo-uitdagingen, haar kitsch. En die liggen vooral op het gebied van ondernemerschap. De laatste jaren hebben vele medewerkers het dogma van het eigen ondernemerschap omarmd en omhelst. Het hele vocabulaire van ‘mission statements’, van ‘elevatorspeeches’, van ‘resultaatsverantwoordelijkheid’ werd doorgeakkerd. Hoe kitscherig dat was, blijkt nu wel, nu de economie terugloopt en deze mensen zich meer dan ooit als een calculerende werknemer opstellen om zichzelf zo goed mogelijk een ‘shelter’ te verschaffen. Van het ware ondernemerschap, namelijk dat je iets doet voor eigen rekening en risico is weinig over. Hier vinden we de pseudo-gevarenzone van de aardappel-anders leefcultuur.
De gevarenzone
In New York is wat anders aan de hand. In het Jewish Museum vinden we wèl de echte gevarenzone, die zonder moed niet te betreden is. Daar is de vermenging van dader en slachtoffer, de identificatie met het kwaadaardige, de verontrusting van het ambivalente wel opgezocht. Ik heb het over de tentoonstelling Mirroring Evil. Hierin exposeren dertien jonge kunstenaars met werken waarin zij het nazidom en de Holocaust opnieuw verbeelden. Het schokkende is dat zij afstand nemen van een ondubbelzinnig slachtofferschap. Zij onderzoeken in hun werk op welke wijze en in welke mate het slachtofferschap van de naziterreur nog steeds hun denken onbewust en bewust beïnvloedt en wat daar de grenzen van zijn. Ze zoeken willens en wetens de ambivalentie van het kwaad op door de toeschouwer te identificeren met de daders.
De Poolse kunstenaar Libera heeft legodozen gemaakt waarmee je een concentratiekamp kunt maken. Je kunt de onschuldige bouwsteentjes volgens plan gebruiken om je eigen vernietigingskamp te bouwen. Alleen wanneer je je identificeert met de rol van dader, kun je de bedoeling realiseren. Je wordt je bewust van het gevaarlijke van deze identificatie, van de duistere kanten bij anderen en bij jezelf. Een ander kunstwerk is een fotomontage, waarbij de kunstenaar Alan Schechner een portret van zichzelf met een blikje Diet Coke heeft gemonteerd in een foto van uitgemergelde, joodse gevangenen in een barak van Buchenwald. Een foto, die mij twee gevoelens opriep. De eerste voelt u nu waarschijnlijk ook: verontwaardiging. Hoe haal je het in je hoofd om met zulke terreur te spotten en de slachtoffers voor de tweede keer te onteren. De tweede emotie was fascinatie. Stel dat deze kunstenaar te goeder trouw is en geen openlijke of heimelijke intentie heeft om wie dan ook te oneerbiedigen, dat deze kunstenaar ‘bottom line’ aan de goede kant staat, wat zegt zo’n foto ons? Volgens mij niets anders dan dat de grens tussen eerbiediging en oneerbiediging, tussen dader en slachtoffer, tussen goed en fout, opnieuw bepaald moet worden. En dat is ook wat volgens de organisator Kleebatt, de achtergrond van deze tentoonstelling is.
In Nederland kennen we de schilder Ophuis. Ook hij aarzelt niet om ons met zijn schilderijen in de gevarenzone te trekken. Titels van zijn werken als ‘Miskraam’, Birkenau, getuigen daar van. In een van zijn werken beeldt hij in een barak van een concentratiekamp een mannelijke gevangene af die een vrouwelijke gevangene verkracht. Dit beeld vond ik schokkend. De reden is weer dezelfde. Ook hier wordt het kwaadaardige ambivalent gemaakt. In ons denken zijn deze gevangenen uitsluitend slachtoffer van gewelddadige en totalitaire terreur, in het schilderij worden zij tegelijkertijd weer tot dader gemaakt. Het is alsof Ophuis ons onverbloemd wil zeggen dat de grens tussen goed en kwaad niet zo helder is als we denken, dat de combinatie slachtoffer/heilige niet vanzelfsprekend is.
Het gevaar van verbraving
U merkt, dat mijn gesproken essay geen lichtvoetig verhaal over de relatie van kennis en kunst wordt. Integendeel ik zoek de zwarte kant op. De reden is dat naar mijn stellige overtuiging het trauma van Auschwitz nog steeds diep in ons denken en in onze moraal verankerd ligt. Laat ik hierover geen misverstanden ontstaan: ik vind dat terecht. Onder het asfalt ligt niet het strand zoals mijn oudere broers in de jaren zestig dachten maar de knoken van een bloedige Europa. Onze samenleving is gebouwd op de fundamenten van terreur. Voor ons denken zijn niet de wenkende perspectieven van een ideale mensheid baken en teken, maar nog steeds de verschrikkingen van 60 jaar geleden. Wat ik echter niet terecht vind is dat de verbeelding van het verleden verstart en iconiseert. De verbraving in de managementtheorie, de verstikkende correctheid in de politiek die sinds kort is afgeschaft, de eufemismen in de beleidstaal, het moreel schematische denken van linksliberaal Nederland, de permanente verwijzing in de debatten naar het nazisme, zijn van deze verstarring de uitingen. Willen we echter meer begrijpen van de duistere kanten van onze ziel, de gevaren van het fanatisme, de dehumanisering in bedrijven, de drenzende angst in de cultuur, dan ontkomen we niet aan verontrustende doorkijkjes op onze werkelijkheid, zoals de dertien kunstenaars in New York die hebben gemaakt en zoals de Nederlandse schilder Ophuis die in zijn werk heeft ontwikkeld.
Het procédé
Hoe doen die kunstenaars dat eigenlijk? Hoe doen de denkers het? Wat is het procédé waarmee zij de ambivalentie opnieuw aan de orde stellen. Zover ik kan overzien, kenmerkt het procédé zich door het combineren van ver van elkaar verwijderde registers, metaforen, vocabulaires en beelden. Zo mengt de filosoof Loek Schönbeck in zijn boek Een oneerbiedige wijsbegeerte van het management klassiek filosofisch terminologie met woorden uit de volksmond. Hij spreekt over de manager als lummel, als pummel en als hufter. Met dit procédé verkrijgt de lezer een doorkijkje op organisaties die hij niet gekregen zou hebben met de brave taal van managementtheorieën. Hetzelfde horen we terug in de essays van Jaap Peters waarin hij moderne bedrijven met de varkenssector vergelijkt en spreekt over de intensieve menshouderij spreekt. We zien hetzelfde procédé terug bij de Legodozen. De commerciële beeldtaal van een advertentie en de beeldtaal van de verschrikkingen van de nazi’s worden gecombineerd. Deze mensen mengen braafheid met kwaadaardigheid, waardoor we niet goed meer weten wat we moeten vinden. Dit combinatieprocédé roept de ambivalentie op.
Het proces van ontbraven is niet zonder gevaar. Je kunt niet zonder meer het kwaadaardige tegemoet treden. Zelfs Dante had een gids nodig, toen hij afdaalde in de hellen van de onderwereld. We hebben een schild van bescherming nodig. De filosoof Nietzsche zag dit schild in heldere concepten en in gedistantieerde reflectie. Hij noemde dat in zijn boek over de geboorte van de tragedie het Apollinische aspect van de cultuur. U begrijpt dat mij dit aanspreekt. De roes van geweld, de wellust van fanatisme, het genot van vernedering en de geilheid van morele arrogantie is verrukkelijk en overweldigend. En daarom zo gevaarlijk. Maar godzijdank kan de roes en wellust op gezette momenten onderbroken worden door ontnuchterende analyses. En dat moet ook op straffe van gek en gewelddadig worden. Toch is ook deze analytische benadering mij niet veilig genoeg. Soms moet het kwaadaardige en gewelddadige voor ons denken verder onschadelijk gemaakt, zodat we er met enige afstand naar kunnen kijken. Het beste wapen is traditiegetrouw de ironie, de zelfspot en de humor, ook al is hij zwartgallig. Mijn pleidooi voor de terugkeer van het ambivalente houdt ook een pleidooi in voor de humor die overdrijft en grotesk maakt en daardoor neutraliseert.
Dit gebruik van de veiligheidsmaatregelen maakt ook het verschil uit tussen een sensationele trivialisering van het kwaadaardige en een integere authentieke verbeelding ervan. Want de kunstenaar, de denker, de professional die het kwaadaardige verbeeldt, zal altijd de verdenking op zich laden, dat hij zich door sensationele en banale motieven laat leiden. Maar wie duidelijk maakt, dat hij in zijn werk afstand neemt van de duistere kanten door het hanteren van vervreemdingstechnieken, kan aantonen dat hij zich bewust is van de vele dimensies die aan het kwaadaardige kleven. Zo’n persoon shockeert wel maar trivialiseert en ontheiligt uiteindelijk niet.
Tot slot
Tot slot. De relatie kennis en kunst in de wereld van organisatieadviseurs en opleiders wordt meestal gezocht in het creatieve. Kunstenaars zouden creatief zijn en over technieken beschikken die managers en adviseurs ter harte zouden moeten gaan. De ontmoeting van kennis, organisatie en kunst ligt dan vaak op het gebied van het vernieuwende, het verbeeldende, het innoverende. U begrijpt uit mijn verhaal, dat ik een hele andere relatie heb gelegd tussen de kunstenaar, de opleider en de manager. Het gaat erom, dat we opnieuw met elkaar de gevarenzone betreden, dat we de ambivalentie van het gewelddadige, het manipulerende, het sadistische en het destructieve weer op het spoor komen. Alleen dan zullen we beseffen dat we vergeten zijn dat we niet alleen mensen vol goede bedoelingen zijn, maar ook wezens vol broeierige, duistere en gewelddadige driften.

